De volgende aanwijzingen dienen bij het bewerken van onderdelen en carrosserieën van aluminium te worden aangehouden:
Aanwijzingen bij werkplek carrosserie
Aanwijzingen bij uitdeuken
Aanwijzingen bij recht trekken
Aanwijzingen bij temperatuurcontrole
Aanwijzingen bij losmaken van hechtverbindingen
Aanwijzingen bij losmaken van schroefverbindingen (zelftappende en zelfborgende bouten)
Aanwijzingen bij losmaken van klinknagelverbindingen en tot stand brengen van splijtnagelverbindingen
Aanwijzingen bij verschillende carrosseriematerialen
Aanwijzingen bij schadediagnose
Aanwijzingen bij richten en terugvormen
Aanwijzingen bij reparatiewerkzaamheden na een ongeval
Aanwijzingen bij werkplek carrosserie
Voor werkzaamheden aan voertuigen met aluminium onderdelen zijn afzonderlijke werkplekken vereist. Meer informatie hierover is te vinden in de XENTRY Portal onder: Advies en service Werkplaatsplanning en netwerk Werkplaatsplanning Services Downloads.
Aanwijzingen bij uitdeuken
Deuken in aluminium onderdelen kunnen tot een bepaalde vervormingsdiepte worden uitgedeukt.
Grotere plekken kunnen alleen worden uitgedeukt als de plek hierbij wordt verhit. Bij diepere deuken is het onvermijdelijk dat de beschadigde onderdelen moeten worden vervangen.
Bij aluminium plaatwerk wordt voor het uitdeuken, in tegenstelling tot bij staalplaat, in het midden van de plaat begonnen. Indien mogelijk, moet worden geprobeerd de deuken te verhelpen door deze naar buiten te drukken (plaatwerk recht drukken). In plaats van scherp en hard uitdeukgereedschap moet gereedschap van kunststof, hout of aluminium worden gebruikt.
Als aluminium te ver wordt uitgerekt, bijvoorbeeld door gebruik van stalen gereedschap, kan er koudversteviging (dislocatie geblokkeerd) optreden. Hierdoor kan het aluminium bros worden of scheuren.
Aanwijzingen bij recht trekken
Voor het trekken moet het aluminium plaatwerk eerst met een 'neutrale' lasvlam tot een temperatuur van ca. 150 tot 450 °C worden verhit en vervolgens direct worden afgekoeld in de richting van het trekpunt. De snelle temperatuurverandering zorgt ervoor dat het oppervlak samentrekt en het aluminium plaatwerk de oorspronkelijke vorm aanneemt.
De verhitte plek wordt gestuikt, omdat het omringende koudere materiaal minder uitzet en de warmte-uitzetting van het verhitte materiaal verhindert. Tijdens het afkoelen krimpt het verhitte en gestuikte materiaal.
De volgende regels met betrekking tot de werkwijze moeten worden aangehouden:
Het aluminium oppervlak moet worden gereinigd. Er mogen geen verontreinigingen in het oppervlak worden meegebrand.
De reparatieplek moet worden verhit. De warmte-uitzetting binnen de reparatieplek moet worden afgegrensd.
Aanwijzingen bij temperatuurcontrole
Voor de temperatuurcontrole zijn onder meer de volgende methoden beschikbaar:
Met thermo-indicatormiddelen, bijvoorbeeld thermo-indicatorstiften, die op een afstand van ca. 25 mm van de rand van het verhitte gebied worden aangebracht. Hierbij moeten de aanwijzingen van de fabrikant worden aangehouden.
Met zelfklevende temperatuurmeetstrips waarvan de meetvelden na het overschrijden van bepaalde temperaturen verkleuren.
Met een infraroodthermometer of pyrometer. Hierbij moeten de aanwijzingen van de fabrikant worden aangehouden.
Met een wig van zacht hout, bijvoorbeeld vuren- of wilgenhout. De reparatieplek wordt verhit. Vervolgens moet de zachte houten wig met een matige druk over de verhitte plek worden gestreken.
Hierdoor ontstaan de volgende temperatuurspecifieke strepen:
Fel bruin bij ca. 350 °C
Normaal bruin bij ca. 400 °C
Donkerbruin bij ca. 450 °C
Zwart bij ca. 500 °C
Er moet een onverkoolde, zachte houten wig worden gebruikt.
Anders bestaat het gevaar dat de temperatuurindicatie niet juist is en het aluminium scheurt als dit wordt teruggevormd.
Aanwijzingen bij losmaken van hechtverbindingen
Om hechtverbindingen, zoals flensverbindingen, los te maken, moeten deze worden verhit. De maximaal toegestane temperatuur bedraagt hierbij 180 °C. De ideale temperatuur voor het losmaken van een flensverbinding, bijvoorbeeld met behulp van een beitel, bedraagt ca. 100 tot 120 °C.
Aanwijzingen bij losmaken van schroefverbindingen (zelftappende en zelfborgende bouten)
Schroefverbindingen die in aluminium extrusieprofielen zijn geschroefd, kunnen met een elektrische schroevendraaier, bijvoorbeeld een accuschroefmachine, worden verwijderd.
Schroefverbindingen die in gegoten aluminium onderdelen zijn geschroefd, moeten altijd met de hand worden losgedraaid.
Zelftappende en -borgende bouten worden bij de reparatie altijd door popnagels vervangen.
Aanwijzingen bij losmaken van klinknagelverbindingen en tot stand brengen van splijtnagelverbindingen
Er mag alleen gereedschap worden gebruikt dat door Daimler AG is goedgekeurd.
Hierbij moeten de aanwijzingen van de fabrikant worden aangehouden.
Van één zijde bereikbare klinkverbindingen moeten worden uitgeboord, afgefreesd of afgeslepen.
Spanen en slijp-/schuurresten moeten direct worden verwijderd.
Anders bestaat gevaar voor contactcorrosie.
Aanwijzingen bij verschillende carrosseriematerialen
P60.00-2985-79
Afgebeeld bij type 222 |
A | Aluminium plaatwerk | C | Aluminium extrusiedelen | |
B | Gegoten aluminium onderdelen | D | Onderdelen van staalplaat |
P60.00-2986-79
Afgebeeld bij type 222 |
A | Aluminium plaatwerk | C | Aluminium extrusiedelen | |
B | Gegoten aluminium onderdelen | D | Onderdelen van staalplaat |
P60.00-3037-79
Afgebeeld bij type 217.3 |
A | Aluminium plaatwerk | C | Aluminium extrusiedelen | |
B | Gegoten aluminium onderdelen | D | Onderdelen van staalplaat |
P60.00-3038-79
Afgebeeld bij type 217.3 |
A | Aluminium plaatwerk | C | Aluminium extrusiedelen | |
B | Gegoten aluminium onderdelen | D | Onderdelen van staalplaat |
P60.00-3143-79
Afgebeeld bij type 217.4 |
A | Aluminium plaatwerk | C | Aluminium extrusiedelen | |
B | Gegoten aluminium onderdelen | D | Onderdelen van staalplaat |
P60.00-3144-79
Afgebeeld bij type 217.4 |
A | Aluminium plaatwerk | C | Aluminium extrusiedelen | |
B | Gegoten aluminium onderdelen | D | Onderdelen van staalplaat |
Aanwijzingen bij schadediagnose
Ingangsdiagnose ongeval uitvoeren (zie document 'Ingangsdiagnose ongeval uitvoeren').
Bij scheuren, vouwen en vervorming (uitzondering) moet het betreffende onderdeel altijd worden vervangen.
Anders kan de vereiste minimumstijfheid van de structuuronderdelen niet worden gewaarborgd.
Uitzondering bij vervorming:
Voorste langsdragers (E) (aluminium extrusiedelen) zijn beperkt terugvormbaar.
Voor het terugvormen van voorste langsdragers (E) moeten de toegestane tolerantiegrenzen worden aangehouden (zie formulier Checklist schadediagnose bij ongeval FG 60).
Afgebeeld bij type 222 |
P60.00-3029-71
Type 217.4
Achterste langsdragers (F) (aluminium extrusiedelen) zijn beperkt terugvormbaar.
Voor het terugvormen van achterste langsdragers (F) moeten de toegestane tolerantiegrenzen worden aangehouden (zie formulier Checklist schadediagnose bij ongeval FG 60).
Afgebeeld bij type 217.4 |
P60.00-3145-71
Aanwijzingen bij richten en terugvormen
Bij structuurdelen is het terugvormen niet toegestaan. Een uitzondering hierop zijn uitsluitend voorste langsdragers (E) en bij type 217.4 achterste langsdragers (F).
De volgende handelwijze dient bij het terugvormen te worden aangehouden:
De afwijking van de meetpunten (11, 12) mag niet groter zijn dan 10 mm in Y-richting, anders moet voorste langsdrager (E) worden vervangen. Voor de diagnose moeten diagnose- en meetsystemen worden gebruikt (zie formulier Checklist schadediagnose bij ongeval FG 60).
Het terugvormen moet in principe op een goedgekeurd richtsysteem van Daimler AG worden uitgevoerd met de specifieke trekinrichting voor type 222 en type 217 uit de set speciaalgereedschap.
Afgebeeld bij type 222 |
P60.00-3031-11
De volgende handelwijze dient bij het terugvormen van achterste langsdragers (F) bij type 217.4 te worden aangehouden:
De afwijking van de meetpunten (13, 14) mag niet groter zijn dan 3 mm in Y- en Z-richting, anders moet achterste langsdrager (F) worden vervangen. Voor de diagnose moeten diagnose- en meetsystemen worden gebruikt (zie formulier Checklist schadediagnose bij ongeval FG 60).
Het terugvormen moet in principe op een goedgekeurd richtsysteem van Daimler AG worden uitgevoerd met de specifieke trekinrichting voor type 217.4 uit de set speciaalgereedschap.
Afgebeeld bij type 217.4 |
P60.00-3146-05
Terugvormen van voorste langsdrager (E) alleen bij vervorming in Y-richting toegestaan.
De voorste langsdrager moet voor en na het terugvormen op scheuren worden gecontroleerd. Als scheuren worden aangetroffen, moet de langsdrager worden vervangen.
Anders kan de vereiste minimumstijfheid van de structuuronderdelen niet worden gewaarborgd.
Voor het terugvormen van voorste langsdrager (E) moeten de toegestane tolerantiegrenzen worden aangehouden (zie formulier Checklist schadediagnose bij ongeval FG 60).
Afgebeeld bij type 222 |
P60.00-3030-71
Terugvormen van achterste langsdrager (F) alleen bij vervorming in Y- en Z-richting toegestaan.
De achterste langsdrager moet voor en na het terugvormen op scheuren worden gecontroleerd. Als scheuren worden aangetroffen, moet de langsdrager worden vervangen.
Anders kan de vereiste minimumstijfheid van de structuuronderdelen niet worden gewaarborgd.
Voor het terugvormen van achterste langsdragers (F) moeten de toegestane tolerantiegrenzen worden aangehouden (zie formulier Checklist schadediagnose bij ongeval FG 60).
Afgebeeld bij type 217.4 |
P60.00-3147-71
Aanwijzingen bij reparatiewerkzaamheden na een ongeval
De reparatiewerkzaamheden na een ongeval kunnen in 2 categorieën worden ingedeeld:
Reparatiecategorie 2 (vastgehechte en vastgeklonken onderdelen)
Reparatiecategorie 3+ (gelaste structuurdelen)
Voor reparatiewerkzaamheden aan voertuigen met een aluminium carrosserie is een speciale kwalificeringstraining voor de reparatiecategorie 3+ vereist (bewijs van kwalificering om aluminium te lassen).
Personen die niet aantoonbaar aan de speciale kwalificeringstraining hebben deelgenomen en die geen speciale carrosserietechnische opleiding hebben genoten en niet geautoriseerd zijn, mogen geen werkzaamheden van reparatiecategorie 3+ aan de voertuigen uitvoeren.
Informatie over de kwalificeringstraining is bij het betreffende Market Performance Center (MPC) verkrijgbaar.
P60.00-2987-79
Afgebeeld bij type 222 |
2 | Reparatiecategorie 2 (vastgehechte en vastgeklonken onderdelen) | 3+ | Reparatiecategorie 3+ (gelaste structuurdelen) |
P60.00-3148-79
Afgebeeld bij type 217.4 |
2 | Reparatiecategorie 2 (vastgehechte en vastgeklonken onderdelen) | 3+ | Reparatiecategorie 3+ (gelaste structuurdelen) |