ah6000p003401lf

Aanwijzingen voor bewerken van aluminium onderdelen en voertuigen

Type ah · thema 60.00 · versie 0105 · 2016-06-16

Geldig voor: Type 217, 222

Plaats

Functiegroep 3 Opbouw/carrosserie › 60 Opbouw/carrosserie, algemeen › 60.00 Algemeen — Serie 217 · Serie 222

EinPAS 35 Carrosserie/chassis/stylingaccessoires › 35.20 Cabine/carrosserie › 35.20.1 Basisinformatie — Serie 217 · Serie 222

AH60.00-P-0034-01LF

Aanwijzingen voor bewerken van aluminium onderdelen en voertuigen

Type

217, 222

De volgende aanwijzingen dienen bij het bewerken van onderdelen en carrosserieën van aluminium te worden aangehouden:

Aanwijzingen bij werkplek carrosserie

Aanwijzingen bij uitdeuken

Aanwijzingen bij recht trekken

Aanwijzingen bij temperatuurcontrole

Aanwijzingen bij losmaken van hechtverbindingen

Aanwijzingen bij losmaken van schroefverbindingen (zelftappende en zelfborgende bouten)

Aanwijzingen bij losmaken van klinknagelverbindingen en tot stand brengen van splijtnagelverbindingen

Aanwijzingen bij verschillende carrosseriematerialen

Aanwijzingen bij schadediagnose

Aanwijzingen bij richten en terugvormen

Aanwijzingen bij reparatiewerkzaamheden na een ongeval

Aanwijzingen bij werkplek carrosserie

Voor werkzaamheden aan voertuigen met aluminium onderdelen zijn afzonderlijke werkplekken vereist. Meer informatie hierover is te vinden in de XENTRY Portal onder: Advies en service Werkplaatsplanning en netwerk Werkplaatsplanning Services Downloads.

Aanwijzingen bij uitdeuken

Deuken in aluminium onderdelen kunnen tot een bepaalde vervormingsdiepte worden uitgedeukt.

Grotere plekken kunnen alleen worden uitgedeukt als de plek hierbij wordt verhit. Bij diepere deuken is het onvermijdelijk dat de beschadigde onderdelen moeten worden vervangen.

Bij aluminium plaatwerk wordt voor het uitdeuken, in tegenstelling tot bij staalplaat, in het midden van de plaat begonnen. Indien mogelijk, moet worden geprobeerd de deuken te verhelpen door deze naar buiten te drukken (plaatwerk recht drukken). In plaats van scherp en hard uitdeukgereedschap moet gereedschap van kunststof, hout of aluminium worden gebruikt.

Als aluminium te ver wordt uitgerekt, bijvoorbeeld door gebruik van stalen gereedschap, kan er koudversteviging (dislocatie geblokkeerd) optreden. Hierdoor kan het aluminium bros worden of scheuren.

Aanwijzingen bij recht trekken

Voor het trekken moet het aluminium plaatwerk eerst met een 'neutrale' lasvlam tot een temperatuur van ca. 150 tot 450 °C worden verhit en vervolgens direct worden afgekoeld in de richting van het trekpunt. De snelle temperatuurverandering zorgt ervoor dat het oppervlak samentrekt en het aluminium plaatwerk de oorspronkelijke vorm aanneemt.

De verhitte plek wordt gestuikt, omdat het omringende koudere materiaal minder uitzet en de warmte-uitzetting van het verhitte materiaal verhindert. Tijdens het afkoelen krimpt het verhitte en gestuikte materiaal.

De volgende regels met betrekking tot de werkwijze moeten worden aangehouden:

Het aluminium oppervlak moet worden gereinigd. Er mogen geen verontreinigingen in het oppervlak worden meegebrand.

De reparatieplek moet worden verhit. De warmte-uitzetting binnen de reparatieplek moet worden afgegrensd.

Aanwijzingen bij temperatuurcontrole

Voor de temperatuurcontrole zijn onder meer de volgende methoden beschikbaar:

Met thermo-indicatormiddelen, bijvoorbeeld thermo-indicatorstiften, die op een afstand van ca. 25 mm van de rand van het verhitte gebied worden aangebracht. Hierbij moeten de aanwijzingen van de fabrikant worden aangehouden.

Met zelfklevende temperatuurmeetstrips waarvan de meetvelden na het overschrijden van bepaalde temperaturen verkleuren.

Met een infraroodthermometer of pyrometer. Hierbij moeten de aanwijzingen van de fabrikant worden aangehouden.

Met een wig van zacht hout, bijvoorbeeld vuren- of wilgenhout. De reparatieplek wordt verhit. Vervolgens moet de zachte houten wig met een matige druk over de verhitte plek worden gestreken.

Hierdoor ontstaan de volgende temperatuurspecifieke strepen:

Fel bruin bij ca. 350 °C

Normaal bruin bij ca. 400 °C

Donkerbruin bij ca. 450 °C

Zwart bij ca. 500 °C

Er moet een onverkoolde, zachte houten wig worden gebruikt.
Anders bestaat het gevaar dat de temperatuurindicatie niet juist is en het aluminium scheurt als dit wordt teruggevormd.

Aanwijzingen bij losmaken van hechtverbindingen

Om hechtverbindingen, zoals flensverbindingen, los te maken, moeten deze worden verhit. De maximaal toegestane temperatuur bedraagt hierbij 180 °C. De ideale temperatuur voor het losmaken van een flensverbinding, bijvoorbeeld met behulp van een beitel, bedraagt ca. 100 tot 120 °C.

Aanwijzingen bij losmaken van schroefverbindingen (zelftappende en zelfborgende bouten)

Schroefverbindingen die in aluminium extrusieprofielen zijn geschroefd, kunnen met een elektrische schroevendraaier, bijvoorbeeld een accuschroefmachine, worden verwijderd.

Schroefverbindingen die in gegoten aluminium onderdelen zijn geschroefd, moeten altijd met de hand worden losgedraaid.

Zelftappende en -borgende bouten worden bij de reparatie altijd door popnagels vervangen.

Aanwijzingen bij losmaken van klinknagelverbindingen en tot stand brengen van splijtnagelverbindingen

Er mag alleen gereedschap worden gebruikt dat door Daimler AG is goedgekeurd.

Hierbij moeten de aanwijzingen van de fabrikant worden aangehouden.

Van één zijde bereikbare klinkverbindingen moeten worden uitgeboord, afgefreesd of afgeslepen.

Spanen en slijp-/schuurresten moeten direct worden verwijderd.
Anders bestaat gevaar voor contactcorrosie.

Aanwijzingen bij verschillende carrosseriematerialen

Aanwijzingen voor bewerken van aluminium onderdelen en voertuigen

P60.00-2985-79

Afgebeeld bij type 222

A

Aluminium plaatwerk

C

Aluminium extrusiedelen

B

Gegoten aluminium onderdelen

D

Onderdelen van staalplaat

Aanwijzingen voor bewerken van aluminium onderdelen en voertuigen

P60.00-2986-79

Afgebeeld bij type 222

A

Aluminium plaatwerk

C

Aluminium extrusiedelen

B

Gegoten aluminium onderdelen

D

Onderdelen van staalplaat

Aanwijzingen voor bewerken van aluminium onderdelen en voertuigen

P60.00-3037-79

Afgebeeld bij type 217.3

A

Aluminium plaatwerk

C

Aluminium extrusiedelen

B

Gegoten aluminium onderdelen

D

Onderdelen van staalplaat

Aanwijzingen voor bewerken van aluminium onderdelen en voertuigen

P60.00-3038-79

Afgebeeld bij type 217.3

A

Aluminium plaatwerk

C

Aluminium extrusiedelen

B

Gegoten aluminium onderdelen

D

Onderdelen van staalplaat

Aanwijzingen voor bewerken van aluminium onderdelen en voertuigen

P60.00-3143-79

Afgebeeld bij type 217.4

A

Aluminium plaatwerk

C

Aluminium extrusiedelen

B

Gegoten aluminium onderdelen

D

Onderdelen van staalplaat

Aanwijzingen voor bewerken van aluminium onderdelen en voertuigen

P60.00-3144-79

Afgebeeld bij type 217.4

A

Aluminium plaatwerk

C

Aluminium extrusiedelen

B

Gegoten aluminium onderdelen

D

Onderdelen van staalplaat

Aanwijzingen bij schadediagnose

Ingangsdiagnose ongeval uitvoeren (zie document 'Ingangsdiagnose ongeval uitvoeren').

Bij scheuren, vouwen en vervorming (uitzondering) moet het betreffende onderdeel altijd worden vervangen.
Anders kan de vereiste minimumstijfheid van de structuuronderdelen niet worden gewaarborgd.

Aanwijzingen voor bewerken van aluminium onderdelen en voertuigen

Uitzondering bij vervorming:
Voorste langsdragers (E) (aluminium extrusiedelen) zijn beperkt terugvormbaar.
Voor het terugvormen van voorste langsdragers (E) moeten de toegestane tolerantiegrenzen worden aangehouden (zie formulier Checklist schadediagnose bij ongeval FG 60).

Afgebeeld bij type 222

P60.00-3029-71

Aanwijzingen voor bewerken van aluminium onderdelen en voertuigen

Type 217.4
Achterste langsdragers (F) (aluminium extrusiedelen) zijn beperkt terugvormbaar.
Voor het terugvormen van achterste langsdragers  (F) moeten de toegestane tolerantiegrenzen worden aangehouden (zie formulier Checklist schadediagnose bij ongeval FG 60).

Afgebeeld bij type 217.4

P60.00-3145-71

Aanwijzingen bij richten en terugvormen

Aanwijzingen voor bewerken van aluminium onderdelen en voertuigen

Bij structuurdelen is het terugvormen niet toegestaan. Een uitzondering hierop zijn uitsluitend voorste langsdragers (E) en bij type 217.4 achterste langsdragers (F).
De volgende handelwijze dient bij het terugvormen te worden aangehouden:

De afwijking van de meetpunten (11, 12) mag niet groter zijn dan 10 mm in Y-richting, anders moet voorste langsdrager (E) worden vervangen. Voor de diagnose moeten diagnose- en meetsystemen worden gebruikt (zie formulier Checklist schadediagnose bij ongeval FG 60).

Het terugvormen moet in principe op een goedgekeurd richtsysteem van Daimler AG worden uitgevoerd met de specifieke trekinrichting voor type 222 en type 217 uit de set speciaalgereedschap.

Afgebeeld bij type 222

P60.00-3031-11

Aanwijzingen voor bewerken van aluminium onderdelen en voertuigen

De volgende handelwijze dient bij het terugvormen van achterste langsdragers (F) bij type 217.4 te worden aangehouden:

De afwijking van de meetpunten (13, 14) mag niet groter zijn dan 3 mm in Y- en Z-richting, anders moet achterste langsdrager (F) worden vervangen. Voor de diagnose moeten diagnose- en meetsystemen worden gebruikt (zie formulier Checklist schadediagnose bij ongeval FG 60).

Het terugvormen moet in principe op een goedgekeurd richtsysteem van Daimler AG worden uitgevoerd met de specifieke trekinrichting voor type 217.4 uit de set speciaalgereedschap.

Afgebeeld bij type 217.4

P60.00-3146-05

Aanwijzingen voor bewerken van aluminium onderdelen en voertuigen

Terugvormen van voorste langsdrager (E) alleen bij vervorming in Y-richting toegestaan.
De voorste langsdrager moet voor en na het terugvormen op scheuren worden gecontroleerd. Als scheuren worden aangetroffen, moet de langsdrager worden vervangen.
Anders kan de vereiste minimumstijfheid van de structuuronderdelen niet worden gewaarborgd.
Voor het terugvormen van voorste langsdrager (E) moeten de toegestane tolerantiegrenzen worden aangehouden (zie formulier Checklist schadediagnose bij ongeval FG 60).

Afgebeeld bij type 222

P60.00-3030-71

Aanwijzingen voor bewerken van aluminium onderdelen en voertuigen

Terugvormen van achterste langsdrager (F) alleen bij vervorming in Y- en Z-richting toegestaan.
De achterste langsdrager moet voor en na het terugvormen op scheuren worden gecontroleerd. Als scheuren worden aangetroffen, moet de langsdrager worden vervangen.
Anders kan de vereiste minimumstijfheid van de structuuronderdelen niet worden gewaarborgd.
Voor het terugvormen van achterste langsdragers (F) moeten de toegestane tolerantiegrenzen worden aangehouden (zie formulier Checklist schadediagnose bij ongeval FG 60).

Afgebeeld bij type 217.4

P60.00-3147-71

Aanwijzingen bij reparatiewerkzaamheden na een ongeval

De reparatiewerkzaamheden na een ongeval kunnen in 2 categorieën worden ingedeeld:

Reparatiecategorie 2 (vastgehechte en vastgeklonken onderdelen)

Reparatiecategorie 3+ (gelaste structuurdelen)

Voor reparatiewerkzaamheden aan voertuigen met een aluminium carrosserie is een speciale kwalificeringstraining voor de reparatiecategorie 3+ vereist (bewijs van kwalificering om aluminium te lassen).

Personen die niet aantoonbaar aan de speciale kwalificeringstraining hebben deelgenomen en die geen speciale carrosserietechnische opleiding hebben genoten en niet geautoriseerd zijn, mogen geen werkzaamheden van reparatiecategorie 3+ aan de voertuigen uitvoeren.

Informatie over de kwalificeringstraining is bij het betreffende Market Performance Center (MPC) verkrijgbaar.

Aanwijzingen voor bewerken van aluminium onderdelen en voertuigen

P60.00-2987-79

Afgebeeld bij type 222

2

Reparatiecategorie 2 (vastgehechte en vastgeklonken onderdelen)

3+

Reparatiecategorie 3+ (gelaste structuurdelen)

Aanwijzingen voor bewerken van aluminium onderdelen en voertuigen

P60.00-3148-79

Afgebeeld bij type 217.4

2

Reparatiecategorie 2 (vastgehechte en vastgeklonken onderdelen)

3+

Reparatiecategorie 3+ (gelaste structuurdelen)