GF42.25-W-2002A | Pneumatische achterasremkring, werking | 18.6.07 |
TYPE 944, 950.5 /6, 952.5 /6, 953.6, 954.5
met CODE BB1, remregeling (BS)
behalve CODE ZX2, EPB II
TYPE 944, 950.5 /6, 952.5 /6, 953.6, 954.5
met CODE BB8, remregeling (BS) met ASR
behalve CODE ZX2, EPB II
TYPE 950.0 /1 /2 /3, 952.0 /1 /2 /3, 953.1 /3, 954.0 /1 /2 met CODE BB1, remregeling (BS)
TYPE 950.0 /1 /2 /3, 952.0 /1 /2 /3, 953.1 /3, 954.0 /1 /2 met CODE BB8, remregeling (BS) met ASR
W42.25-0115-06
1.1 2/2-magneetventiel
1.2 3/2-wegventiel
1.3 Relaisventiel
2.1 In-/uitlaatventiel 1
2.2 In-/uitlaatventiel 2
2.3 2-wegventiel
12.07 Remslijtagesensor
12.08 Toerentalsensor
13.05 Remwaardesensor
16.07 Proportioneel relaisventiel
18.07 Aanhangwagencommandoventiel
22.01 Combiremcilinder
31.08 Asmodulator aandrijfas
33.06 Redundantieventiel
V1 Voorraad kring 1
V2 Voorraad kring 2
a Voorraaddruk (V1 en V2)
c Remdruk
b Redundantiekring (pneumatische regeldruk)
Als er niet wordt geremd en er geen regeling wordt uitgevoerd, is het 3/2-wegventiel (1.2) in het redundantieventiel (33.06) op doorgang geschakeld. Als er tijdens een elektropneumatische remming via in-/uitlaatventielen (2.1) en in-/uitlaatentielen 2 (2.2) in asmodulator aandrijfas (31.08) een druk van ca. 0,3 tot 0,5 bar wordt uitgestuurd, schakelt 3/2-wegventiel (1.2). De pneumatische regeldruk van de redundantiekring wordt vervolgens weggeschakeld.
Als de regeleenheid aan de hand van de betreffende wieldraaisnelheden vaststelt dat er een ABS-regeling moet worden uitgevoerd, wordt de betreffende combiremcilinder (22.01) door in-/uitlaatventielen. Hierbij mag de redundantie niet in werking treden. In dat geval wordt na het omschakelen van het 3/2-wegventiel (1.2) 2/2-magneetventiel (1.1) van spanning voorzien en de druk tussen het regeldeel en de ventielzitting van 3/2-wegventiel (1.2) en de ventielzitting van 2/2-magneetventiel (1.1) wordt gehouden. Dientengevolge wordt het 3/2-wegventiel (1.2) in de blokkeerstand geschakeld en blijft de redundantiekring uitgeschakeld.
Als het 2/2-magneetventiel (1.1) niet meer van spanning wordt voorzien, wordt de druk in de regelleiding afgebouwd.
Als de elektropneumatische remdrukregeling uitvalt, wordt 3/2-wegventiel (1.2) in redundantieventiel (33.06) op doorgang geschakeld. De door remwaardesensor (13.05) uitgestuurde, pneumatische regeldruk bedient relaisventiel (1.3). Vervolgens kan remdruk via 2-wegventielen (2.3) in combicilinders (22.01) terechtgekomen.
Als de redundantie aan de achteras in werking treedt, wordt de regeldruk die door aansluiting 21 van remwaardesensor (13.05) is uitgestuurd door redundantieventiel (33.06) naar een extra regelvlak van remwaardesensor (13.05) teruggeleid. Hierdoor wordt de remdruk aan de vooras verhoogd.
De remdruk die bij redundantie aan de achteras actief is, is beperkt. Deze remdruk komt ongeveer overeen met de ALR-instelling "half beladen" om te voorkomen dat de achteras bij het remmen blokkeert als de wagen leeg is. Bovendien wordt zo voor de juiste remwerking gezorgd als de wagen is beladen.
Als de elektropneumatische remdrukregeling aan de achteras uitvalt, wordt er geen ABS-regeling aan de voor- en achteras uitgevoerd.
Verwezen documenten
- gf4225w3002a Remmen aan achteras, werking