GF07.61-P-2004KE | Diagnose storingsgeheugen ME, werking | 20.3.08 |
MOTOR 271.921 in TYPE 203 t/m modeljaar 08/wijzigingsjaar 07
MOTOR 271.940 in TYPE 203 t/m modeljaar 08/wijzigingsjaar 07
MOTOR 271.941 in TYPE 211
MOTOR 271.944 in TYPE 171 t/m modeljaar 08/wijzigingsjaar 07
MOTOR 271.946 in TYPE 203 t/m modeljaar 08/wijzigingsjaar 07
MOTOR 271.948 in TYPE 203 t/m modeljaar 08/wijzigingsjaar 07
MOTOR 271.955 in TYPE 209
MOTOR 271.956 in TYPE 211
MOTOR 271.940 in TYPE 209
P07.61-2897-05
0100 STAR DIAGNOSIS
A1 Combi-instrument
A1e26 Controlelampje CHECK ENGINE (bij )
A1e58 Controlelampje motordiagnose (behalve )
N3/10 Regeleenheid ME
N10/1 Regeleenheid SAM met zekeringen- en relaismodule bestuurder
(bij type 171, 211)
N10/1 Regeleenheid SAM met zekeringen- en relaismodule voor
(bij type 203, 209)
X11/4 Diagnosetestaansluiting
CAN Databus (Controller Area Network)
De regeleenheid ME controleert de in- en uitgangen op plausibiliteit en herkent mogelijke storingen. Wat betreft het herkennen van storingen en het opslaan ervan wordt een onderscheid gemaakt tussen:
Storingen die voortdurend aanwezig zijn
Storingen die het gevolg zijn van haperende contacten (alleen bij temperatuursensor koelmiddel (B11/4) en sensor gaspedaal (B37))
De volgende onderdelen en systemen worden gecontroleerd:
Lambdasondes
Katalysators
KAT-verwarming
Luchtinblazing
Regeling rustig draaien (overslaande ontstekingen)
Brandstofsysteem
Regeleenheden (die via de CAN-databus met elkaar zijn verbonden)
Rijcyclus (driving cycle)
Niet-permanent gecontroleerde systemen worden pas gecontroleerd als een bepaalde rijcyclus wordt doorlopen.
-----------------------------------------------------------------------------------------
Een rijcyclus voor een controle bestaat uit:
Motorstart (koude start)
Stadcyclus
Cyclus buiten de stad
Motor afzetten
Omdat niet altijd aan de vereiste voorwaarden wordt voldaan, worden ook niet alle controles bij elke rit uitgevoerd.
Storingen herkennen
De volgende storingen en storingstoestanden worden herkend:
Signalen boven of onder grenswaarde
(kabelonderbreking, kortsluiting, defecte sensor)
Frequentie van storing
Onlogische combinatie van signalen
Werkingsketen met storingen
Storingsmeldingen van systemen (regeleenheden) doorgegeven via CAN-databus
Storingen van dynamo (G2) met interfaceregelaar
-----------------------------------------------------------------------------------------
Controlelampje motordiagnose (behalve )
Als een uitlaatgasrelevante storing in twee achtereenvolgende rijcycli optreedt, gaat het controlelampje motordiagnose in het combi-instrument branden.
Als een storing is opgetreden die schadelijk is voor de katalysator, gaat het controlelampje knipperen.
Het controlelampje gaat uit na 3 storingsvrije achtereenvolgende rijcycli.
Controlelampje CHECK ENGINE (bij )
Als een uitlaatgasrelevante storing optreedt of al tijdens de laatste rijcyclus (driving cycle) was opgeslagen, gaat het controlelampje CHECK ENGINE op het combi-instrument branden.
Als een storing is opgetreden die schadelijk is voor de katalysator, gaat het controlelampje knipperen.
Het controlelampje gaat uit na 3 storingsvrije achtereenvolgende rijcycli.
-----------------------------------------------------------------------------------------
Storingen opslaan
Herkende storingen worden met de randgegevens als storing in het storingsgeheugen opgeslagen. Als de storing in de volgende rijcyclus niet opnieuw optreedt, wordt de storing gewist. Uitlaatgasrelevante storingen worden altijd opgeslagen, omdat deze een hoge prioriteit hebben.
Na 40 storingsvrije rijcycli wordt een uitlaatgasrelevante storing en na 80 storingsvrije rijcycli wordt een voor de katalysator schadelijke storing uit het storingsgeheugen gewist.
Storingsgeheugen uitlezen
De regeleenheid ME is via een seriële interface (K-line) met de diagnosetestaansluiting verbonden. De opgeslagen storingen kunnen met STAR DIAGNOSIS of een standaarduitleesapparaat (generic scan tool) via de diagnosetestaansluiting (SAE-norm ISO 9141-2) worden uitgelezen en gewist als het contact is ingeschakeld of de motor draait.
Het storingsgeheugen wordt niet gewist als de accukabels worden losgenomen.
-----------------------------------------------------------------------------------------
Randgegevens/bedrijfsvoorwaarden
Als een storing wordt herkend, worden de volgende gegevens in het geheugen opgeslagen:
Storingscode
Snelheid
Motortoerental
Koelmiddeltemperatuur
Luchtmassa
Motorbelasting
Luchtklephoek
Openingshoek
Ingeschakelde versnelling (bij wisselbak 722)
Aanpassingswaarde mengselvorming
Toestand lambdaregeling (vrijgegeven, niet vrijgegeven, geblokkeerd bij brandstofuitschakeling, geblokkeerd bij storingsherkenning, zonder correctie van O2-sonde na KAT (G3/1))
Omstandigheden (zoals brandstofniveau, afgelegd kilometrage bij opslag van storing, tellerstanden voor frequentie van storing, regeneratie of luchtinblazing actief)
Dynamospanning (bij dynamo met interfaceregelaar)
-----------------------------------------------------------------------------------------
Werkingsketens zijn door de regeleenheid ME geactiveerde controleprocedures voor bijvoorbeeld luchtinblazing, regeneratie en dichtheid van het brandstofverdampingssysteem (bij ).
Vervolgstoring
Als er een onjuist signaal wordt herkend en de bijbehorende storingscode wordt opgeslagen, worden alle controles afgebroken, waarbij dit signaal als vergelijkingswaarde wordt gebruikt. Hierdoor wordt voorkomen dat vervolgstoringen worden opgeslagen.
Gereedheidscode (readiness code)
Via deze code wordt herkend dat er controles voor het herkennen van storingen worden uitgevoerd en dat het systeem derhalve actief is.
De code wordt opgeslagen als de volgende controles zijn uitgevoerd (het resultaat hiervan is niet van belang):
Werking katalysator
Regeneratie
Luchtinblazing
O2-sondesignaal en O2-sondeverwarming voor KAT
-----------------------------------------------------------------------------------------
Noodloop
Als een storing wordt herkend, wordt voor de noodloop vervangende waarden gevormd en gaat het controlelampje motordiagnose/CHECK ENGINE branden.
Nalooptijd regeleenheid ME
Nadat de storingen zijn gewist, moet na het uitschakelen van het contact de computernalooptijd worden afgewacht.
Tijdens de nalooptijd, die 5 sec. bedraagt, kunnen applicaties (programmeerbaar) worden uitgevoerd.