De voorinspuiting is bij motoren met directe inspuiting het belangrijkste element waarmee aan de normen voor de geluids- en uitlaatgasemissie kan worden voldaan.
Belangrijk is dat de vooropbrengst een relatief klein opbrengstniveau niet overschrijdt. Boven deze grens (1,5 mm3/slag bij 200 bar in de rail) neemt de roetemissie dusdanig duidelijk toe dat er weliswaar nog een geluidsvoordeel, maar geen uitlaatgasvoordeel meer wordt behaald. De minimale vooropbrengst die wordt vereist om de brandstof effectief te vernevelen, bedraagt 0,5 mm3/slag.
De voorinspuiting is bijna onder alle bedrijfsomstandigheden actief, d.w.z. tot een motortoerental van ca. 3500 1/min. Dit heeft tot gevolg dat ook bij een hoge raildruk (rond de 1200 bar) voor een toereikende, kleine vooropbrengst moet worden gezorgd.
Aansturingsbegin van voorinspuiting
Afhankelijk van het actuele motorbedrijfsmoment (en van het laatste aansturingsbegin van de hoofdinspuiting) wordt een basiswaarde voor de aansturing berekend. Deze waarde wordt aan de hand van de koelmiddeltemperatuur gecorrigeerd.
Aansturingsduur van voorinspuiting
De berekening van de voorinspuitingsduur wordt door het motorbedrijfspunt en de raildruk bepaald en gecorrigeerd aan de hand van de koelmiddeltemperatuur, de atmosferische druk en de temperatuur van de aangezogen lucht.
Regeleenheid CDI, plaatsing/functie/bouw | |||
Krukasstandsensor, plaatsing/functie/bouw/werking | |||
Krukasstandsensor, plaatsing/functie/bouw/werking | |||
Nokkenasstandsensor, plaatsing/functie/bouw/werking | |||
Temperatuursensor aangezogen lucht, plaatsing/functie/bouw/werking | |||
Temperatuursensor koelmiddel, plaatsing/functie/bouw/werking | |||
Druksensor, plaatsing/functie/bouw/werking | |||
Injector, plaatsing/functie/bouw/werking |
Verwezen documenten
- gf0703s2100a
- gf0704s2100b
- gf0704s2101b
- gf0704s2103a
- gf0704s4116a
- gf0704s5035b
- gf0716s5000a Regeleenheid CDI, plaatsing/functie/bouw