Het behandelen van holle ruimten met was, zoals dit al in de fabriek is uitgevoerd, is de laatste fase van de uit te voeren anticorrosiemaatregelen.
Deze behandeling met was hoeft niet te worden herhaald.
Behandelen van holle ruimten ten gevolge van reparatiewerkzaamheden
Bij reparatiewerkzaamheden na ongelukken dienen de holle ruimten in het te behandelen gebied met was te worden behandeld.
Als onderdelen zoals spatschermen, de motorkap, portieren, het kofferdeksel, worden vervangen of als las-, klink- of soldeerwerkzaamheden worden uitgevoerd, dienen de holle ruimten eveneens met was te worden behandeld.
Deze behandeling dient altijd 2 maal na elkaar, met een tussenperiode van 5 minuten, te worden uitgevoerd.
Aanwijzingen bij de verwerking
Bij het conserveren van holle ruimten dienen de ruimten droog te zijn.
Voordat de conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd, dient het spuitstuk aan de spuitslang of de spuitbus te worden gecontroleerd.
De was moet gelijkmatig uit de openingen en in een cirkelvorm naar buiten spuiten.
Zo nodig interieur met folie beschermen tegen was.
Bij conserveringswerkzaamheden worden de beste resultaten geboekt met spuiten die zowel recht naar voren als schuin naar achteren kunnen spuiten.
De spuitslang met bijbehorende lans moet rigide zijn.
Slangen die de neiging hebben zichzelf op te rollen, zijn niet geschikt voor conserveringswerkzaamheden.
Na het drogen moet ervoor worden gezorgd dat alle afvoerboringen niet zijn verstopt.
Hierbij is het van belang dat het wasconserveringsmiddel wordt aangebracht nadat de afdicht- en spuitwerkzaamheden zijn voltooid en voordat er enige montagewerkzaamheden worden uitgevoerd.
Anders is het mogelijk dat er oneffenheden in de laklaag ontstaan of dat onderdelen vervuild raken door was.
Vervangende carrosserieën dienen na het spuiten eveneens 2 maal na elkaar met anticorrosiemiddel te worden behandeld.
Bij vervangende carrosserieën die af fabriek van deklak zijn voorzien, zijn de holle ruimten al standaard met anticorrosiemiddel behandeld.
Bij het conserveren dient de spuitslang zo ver mogelijk naar alle zijden in de holle ruimten te worden gebracht, dusdanig dat alle zijden van was kunnen worden voorzien.
De slang moet tijdens het spuiten langzaam naar binnen worden gebracht en naar buiten worden getrokken. De temperatuur mag hierbij niet onder de +15 °C dalen.
Na de werkzaamheden dienen tenslotte het spuitbeeld, de spuitslang en het spuitapparaat te worden gereinigd.