P07.61-0376-01
t1 Startverrijking (duur bijvoorbeeld 2 seconden)
t2 Nastartverrijking (duur bijvoorbeeld 2 seconden)
t3 Warmdraaien motor (duur afhankelijk van koelmiddeltemperatuur)
A Verrijkingsmate
a Start
b Einde start, begin van afregeling nastartverrijking
c Einde nastartverrijking, begin warmdraairegeling
Regeling stationair toerental
Als de motor stationair draait, bepalen hoofdzakelijk de effectiviteit en het stationair toerental het brandstofverbruik. Het is derhalve een voordeel dat het stationair toerental zo laag mogelijk is.
Het stationair draaien moet echter dusdanig worden afgesteld dat het stationair toerental onder alle omstandigheden, zoals de belasting door de boordspanning, ingeschakelde airconditioning, ingeschakelde versnelling bij wagens met automatische wisselbak, stuurbekrachtiging, enz. niet te veel daalt en de motor dientengevolge gaat schokken of zelfs afslaat.
De correctie wordt via de ingreep in de openingshoekregeling uitgevoerd, die via de regeleenheid wordt geregeld. Om ervoor te zorgen dat het toerental constant blijft, moet de regeling voor het stationair toerental een balans vormen tussen het afgegeven motorkoppel en de motorbelasting.
Om aan de voorwaarden voor het stationair draaien te kunnen voldoen, heeft de regeling voor het stationair toerental naast het signaal van de krukasstandsensor ook de informatie van de pedaalwaardesensor en van de temperatuursensor van de koelmiddeltemperatuur nodig. Afhankelijk van de regeleenheid en de geregistreerde gegevens, wordt een luchtmassa berekend die tijdens de regeling nog wordt gecorrigeerd.
-----------------------------------------------------------------------------------------
Voor zover aanwezig, dienen de ingangssignalen van de airconditioning of van de automatische wisselbak voor een betere regeling vooraf. Hiermee wordt de regeling voor het stationair toerental ondersteund.
Warmdraaiverrijking
Tijdens het warmlopen van de motor condenseert brandstof op de koude onderdelen van de motor.
Hierdoor wordt het mengsel verarmd. Om deze verarming te compenseren, wordt het brandstof-luchtmengsel verrijkt.
De motor krijgt, afhankelijk van het programma, de extra hoeveelheid brandstof toegemeten.
Hiervoor wordt de inspuitduur overeenkomstig verlengd.
De warmdraaiverrijking is afhankelijk van:
Koelmiddeltemperatuur
Temperatuur aangezogen lucht
Motortoerental
Motorbelasting
Stationair-/deellastfunctie
Correctieprogrammering met HHT
-----------------------------------------------------------------------------------------
Deellast-/vollast
Bij deellast en vollast krijgt de motor, afhankelijk van het programma, de juiste brandstofhoeveelheid toegemeten. Als de pedaalwaardesensor met meer dan ca. 55% is verdraaid, dan wordt er gesproken van vollast; bij ca. 10 - 55 % van deellast.
Deellast: als de motor op bedrijfstemperatuur is, samen met de lambdaregeling voor optimale uitlaatgaswaarden en een laag brandstofverbruik zorgen.
Vollast: als de luchtklep volledig is geopend, voor het maximale motorkoppel zorgen. Hiervoor wordt de inspuitduur overeenkomstig verlengd.
De brandstofhoeveelheid is afhankelijk van:
Koelmiddeltemperatuur
Temperatuur aangezogen lucht
Motortoerental
Motorbelasting
Lambdaregeling
Correctieprogrammering met HHT
-----------------------------------------------------------------------------------------
Acceleratieverrijking
Als tijdens het accelereren de luchtklep snel wordt geopend, wordt het mengsel korte tijd verarmd. Hierdoor kan de motor tijdens het accelereren gaan schokken.
Om te voorkomen dat de motor gaat schokken, wordt de motor, afhankelijk van het programma, van extra brandstof voorzien. Hiervoor worden de verstuivers met extra impulsen aangestuurd.
De acceleratieverrijking is afhankelijk van:
Koelmiddeltemperatuur
Snelheid van de belastingswijziging
Motortoerental
Motorbelasting
Correctieprogrammering met HHT
-----------------------------------------------------------------------------------------
Inspuitonderbreking
De inspuitonderbreking dient ervoor om de uitlaatgas-verhoudingen bij het decelereren te verbeteren, de remwerking van de motor te verhogen en het brandstofverbuik te reduceren.
Tijdens het decelereren schakelt de regeleenheid ME de brandstofverstuivers uit als:
- Koelmiddeltemperatuur >50 °C
- Motortoerental >1350/min
- Luchtklep is gesloten (herkenning via potentiometer werkelijke waarde luchtklep)
- Tempomat "UIT"
De brandstofverstuivers worden weer ingeschakeld als:
- Motortoerental <1100/min
- Luchtklep is geopend
(herkenning via potentiometer werkelijke waarde luchtklep)
- Tempomat "AAN"
Om een sprongsgewijze koppeltoename na een inspuit-onderbreking te voorkomen, wordt het ontstekingstijdstip kortstondig in de richting "laat" versteld.
Begrenzing maximumtoerental
De toerentalbegrenzing dient ervoor om de motor en de aandrijflijn tegen ontoelaatbaar hoge toerentallen te beschermen en de maximumsnelheid te begrenzen.
Om de motor tegen de gevolgen van ontoelaatbaar hoge toerentallen te beschermen, wordt het motortoerental op 6200/min begrensd en na 10 seconden tot ca. 6000/min teruggebracht.
De regeleenheid ME herkent het motortoerental via het signaal van de krukasstandsensor. Het toerental van de motor wordt begrensd door de regeleenheid ME door de verstuivers uit te schakelen.
Bescherming koppelomvormer in selectiehendelstand P/N
Om de koppelomvormer in selectiehendelstand P en N (geen overbrenging) tegen de hogere statische inwendige druk te beschermen, wordt het motortoerental op ca. 4200/min begrensd.
Verwezen documenten
- gf0761s5000a Regeleenheid ME, plaatsing/functie/bouw/werking
- gf2910s2100a
- gf3020s4011a
- gf3022s4010a
- gf3030s3100a