gf0761p2003gs

Starten ME, werking

Type gf · thema 07.61 · versie 0101 · 2002-12-04

Geldig voor: MOTOR 111.951 in TYPE 203.035 MOTOR 111.952 in TYPE 202.081 MOTOR 111.955 in TYPE 203.045 MOTOR 111.956 in TYPE 202.087, 208.344 /444 MOTOR 111.957 in TYPE 210.048 /248 MOTOR 111.958 in TYPE 170.444 MOTOR 111.982 in TYPE 208.448 MOTOR 111.983 in TYPE 170.449

Plaats

Functiegroep 1 Motor › 07 Mengselvorming › 07.61 Benzine-inspuit- en ontstekingssysteem ME — Serie 170 (modellen 444, 449) · Serie 202 (modellen 081, 087) · Serie 203 (modellen 035, 045) · Serie 208 (modellen 344, 444, 448) · Serie 210 (modellen 048, 248)

Geldt ook voor motoren/versnellingsbakken: 111 951, 111 952, 111 955, 111 956, 111 957, 111 958, 111 982, 111 983

GF07.61-P-2003GS

Starten ME, werking

30.3.99

MOTOR 111.951 in TYPE 203.035

MOTOR 111.952 in TYPE 202.081

MOTOR 111.955 in TYPE 203.045

MOTOR 111.956 in TYPE 202.087, 208.344 /444

MOTOR 111.957 in TYPE 210.048 /248

MOTOR 111.958 in TYPE 170.444

MOTOR 111.982 in TYPE 208.448

MOTOR 111.983 in TYPE 170.449

Startopbrengstregeling
Om het starten van de koude motor te vergemakkelijken, moet tijdens het starten, afhankelijk van de koelmiddeltemperatuur, extra brandstof worden ingespoten. De hogere opbrengst wordt bereikt door de inspuitduur te verlengen.

Accuspanning en spanningsvoorziening
De ingespoten brandstofopbrengst wordt bepaald door de openingsduur van de brandstofverstuivers. Deze openingsduur is afhankelijk van de accuspanning. Om de opbrengst bij een lage accuspanning te compenseren, wordt de inspuitduur door de regeleenheid ME verlengd. Beneden de ca. 7 V kan de motor niet meer worden gestart.

-----------------------------------------------------------------------------------------

Nastartmengselverrijking

Na de start is bij een koude motor korte tijd een verrijking met extra brandstof nodig. De brandstof die op de cilinderwanden neerslaat wordt door deze verrijking gecompenseerd, waardoor de motor soepel doorloopt.

Synchronisatie van inspuit- en ontstekingsvolgorde

Om de cilinders in de juiste volgorde in te spuiten en te laten ontsteken, wordt de volgorde bij de eerste motoromwentelingen gesynchroniseerd. Hiervoor heeft de regeleenheid ME de signalen van de Hall-sensor nokkenas en krukasstandsensor nodig.

-----------------------------------------------------------------------------------------

Ontsteking tijdens het starten

Tijdens het starten wordt het ontstekingstijdstip tot ca. 500/min uitsluitend aan de hand van de signalen van de Hall-sensor nokkenas geregeld. Pas bij een toerental van ca. 600/min wordt van een vast ontstekingstijdstip overgegaan op een ontstekingstijdstip dat afhankelijk van de actuele bedrijfstoestand wordt berekend.

Startmotorregeling

De magneetschakelaar van de startmotor (klem 50) wordt via het relais startmotor door de motorregeleenheid aangestuurd.

Het wegrijbeveiligingssysteem blokkeert de motorregeling. De startmotor draait weliswaar, maar de motor start niet.

Regeleenheid elektronische contactstartschakelaar (EZS), plaatsing/functie/bouw/werking

Type 202, 208, 210

GF80.57-P-4102A

Brandstoftoevoer ME, werking

GF07.61-P-3004GS

Ontstekingssysteem ME, werking

GF15.12-P-0001GS

Regeling startopbrengst, bouw/functie/werking

GF07.61-P-3010GS

Synchronisatie inspuit- en ontstekingsvolgorde, werking

GF07.61-P-4009GS

Regeleenheid EGS, plaatsing/functie

Informatie selectiehendelstand P/N en geschakelde rijstand.

Wisselbak 722.6

GF27.19-P-4012G

Startmotorregeling, werking

Met mechanische wisselbak

GF15.30-P-3000GB

Met automatische wisselbak

GF15.30-P-3000GS

Met mechanische wisselbak

GF15.30-P-3000GC

Verwezen documenten