Regeling startopbrengst
Om het starten van de koude motor te vergemakkelijken, wordt tijdens het starten, afhankelijk van de koelmiddeltemperatuur, extra brandstof ingespoten. De hogere opbrengst wordt bereikt door de inspuitduur te verlengen.
Nastartmengselverrijking
Na de start is bij een koude motor korte tijd een verrijking met extra brandstof nodig. De brandstof die op de cilinderwanden neerslaat wordt door deze verrijking gecompenseerd, waardoor de motor soepel doorloopt.
Synchronisatie inspuit- en ontstekingsvolgorde
Om de cilinders in de juiste volgorde in te spuiten en te laten ontsteken, wordt de volgorde bij de eerste motoromwentelingen gesynchroniseerd. Hiervoor heeft de regeleenheid ME de signalen van de nokkenas- en de krukasstandsensor nodig.
Ontsteking tijdens het starten
Tijdens het starten wordt het ontstekingstijdstip tot ca. 500/min uitsluitend overeenkomstig signalen van de nokkenasstandsensor geregeld. Pas bij een toerental van ca. 600/min wordt van een vast ontstekingstijdstip overgegaan op een ontstekingstijdstip dat afhankelijk van de actuele bedrijfstoestand wordt berekend.
Startmotorregeling
De magneetschakelaar van de startmotor (klem 50) wordt via het relais startmotor door de motorregeleenheid aangestuurd.
Het wegrijbeveiligingssysteem blokkeert de motorregeling. De startmotor draait weliswaar, maar de motor start niet.
De motor kan niet meer worden gestart als de accuspanning minder dan 9 V bedraagt.
Verwezen documenten
- gf0703s5004b
- gf0704s4116b
- gf0704s5035c
- gf0761s5000a Regeleenheid ME, plaatsing/functie/bouw/werking