gf0716l2002va

Stationair draaien CDI, werking

Type gf · thema 07.16 · versie 0100 · 2003-03-13

Geldig voor: MOTOR 668.914 in TYPE 414.700

Plaats

Functiegroep 1 Motor › 07 Mengselvorming › 07.16 Dieselinspuitsysteem Common-Rail — Serie 414 (modellen 700) · Serie 668 (modellen 914)

GF07.16-L-2002VA

Stationair draaien CDI, werking

31.8.00

MOTOR 668.914 in TYPE 414.700

Stationair draaien CDI, werking

L07.16-0006-06

B4/6 Raildruksensor

B11/4 Temperatuursensor koelmiddel

B37 Pedaalwaardesensor

CAN Databus

K1/7 Relais motorregeling diesel

L5 Krukasstandsensor

N3/9 Regeleenheid CR

N20 Bedieningspaneel airconditioning

Y74 Drukregelventiel

Y76 Injector

Werking

Als de motor stationair draait, wordt het brandstofverbruik hoofdzakelijk bepaald door de effectiviteit en het stationair toerental. Deze bedrijfstoestand is, vanwege het drukke verkeer, voor een groot deel verantwoordelijk voor het brandstofverbruik. Derhalve is een laag stationair toerental wenselijk. Voor alle bedijfstoestanden geldt echter dat het toerental niet zover mag zakken dat de motor onregelmatig gaat draaien of afslaat. Om het normtoerental voor het stationair draaien te regelen, varieert de regeleenheid de opbrengst totdat het gemeten werkelijke toerental gelijk is aan het voorgeschreven normtoerental. Het normtoerental is afhankelijk van de versnelling die is ingeschakeld en de koelmiddeltemperatuur.

Voor de stationairregeling zijn de signalen nodig van:

Krukasstandsensor L5

Temperatuursensor koelmiddel B11/4

Bedieningspaneel airconditioning N20

Pedaalwaardesensor B37

Raildruksensor B4/6

Temperatuursensor aangezogen lucht B17

Bij wagens met een automatische wisselbak wordt het motortoerental na de koude start aan de hand van de motortemperatuur geregeld.

Regeling voor rustig lopen

Ten gevolge van mechanische toleranties en veroudering genereren niet alle cilinders van een motor hetzelfde koppel. Dit heeft met name een onregelmatige motorloop tot gevolg als de motor stationair draait. De regeleenheid bepaalt in dit geval na elke verbranding de wijzigingen in het toerental en vergelijkt de waarden met elkaar. De opbrengst voor elke cilinder wordt aan de hand van de verschillende toerentallen dusdanig aangepast dat alle cilinders hetzelfde koppel leveren. Als door regeleenheid tractiesystemen (N47) een snelheidssignaal wordt verzonden, werkt de regeling voor rustig lopen niet.

Voorinspuiting CDI, werking

GF07.16-L-2008VA

Hoofdinspuiting CDI, werking

GF07.16-L-2009VA

Na-inspuiting CDI, werking

GF07.16-L-2010VA

Brandstoflagedruksysteem CDI, werking

GF07.16-L-3001VA

Opbrengstregeling CDI, werking

GF07.16-L-3004VA

Hogedruksysteem CDI, werking

GF07.16-L-3012VA

Uitlaatgasterugvoer, werking

GF14.20-L-3000VA

Brandstofvoorverwarming, werking

GF07.13-L-3113VA

Verwezen documenten