Met de centrale vergrendeling is het mogelijk om vanuit één portier alle portieren te ver- en ontgrendelen. Het systeem beschikt over een sluitcontrole als de portieren niet juist zijn gesloten of als er functiestoringen aanwezig zijn.
Als bij een vergrendelingsopdracht een portier open staat of een functiestoring bij een portier is opgetreden, worden alle portieren ontgrendeld. Als de portieren vervolgens binnen 5 sec. opnieuw worden vergrendeld, worden de gesloten portieren eerst vergrendeld, vervolgens ontgrendeld en tenslotte opnieuw vergrendeld. Alleen portieren met een functiestoring blijven dan onvergrendeld .
Een open, functionerend portier wordt na het sluiten automatisch vergrendeld.
Als de portieren open staan of zich in de voorvergrendelings-positie bevinden, is het niet mogelijk om van buitenaf en binnenuit te vergrendelen. Ontgrendelen is daarentegen altijd mogelijk.
Bij het uitvallen van de centrale vergrendeling is het mogelijk om de portieren met sleutels of de beveiligingsknop te vergrendelen of te ontgrendelen.
De centrale vergrendeling bestaat uit:
Regeleenheid voor centrale vergrendeling
2 tot 5 stelelementen, afhankelijk van het aantal portieren
Elk portierslot beschikt over een microschakelaar en een stelelement. Bij portieren wordt de stroom via kabels aangevoerd. De schuifdeuren en achterklep worden daarentegen via contactplaten en -pennen van stroom voorzien.
De regeleenheid voor de centrale vergrendeling controleert de signalen van de microschakelaars en stuurt de stelelementen overeenkomstig aan.
De regeleenheid herkent de volgende toestanden:
Portier vergrendeld
Portier ontgrendeld
Portier open
Portier is niet aangesloten
Stelelement bereikt eindpositie niet
Het aansluitschema van de regeleenheid voor de centrale vergrendeling is afhankelijk van het aantal portieren en de uitvoering ervan (portier of schuifdeur).