gf0753l2002va

Starten MSM, werking

Type gf · thema 07.53 · versie 0100 · 2003-03-13

Geldig voor: MOTOR 166.961 /991 in TYPE 414.700

Plaats

Functiegroep 1 Motor › 07 Mengselvorming › 07.53 Benzine-inspuit- en ontstekingssysteem MSM — Serie 166 (modellen 961, 991) · Serie 414 (modellen 700)

GF07.53-L-2002VA

Starten MSM, werking

10.8.00

MOTOR 166.961 /991 in TYPE 414.700

Starten MSM, werking

L07.53-0004-06

17 Brandstofverdeelbuis

55/1 Brandstoffilter met geïntegreerde brandstofdrukregelaar

80 Brandstoftank

K1/6 Relais motorregeling benzinemotoren

K27 Relais brandstofpomp

M3/3 Brandstofpomp met tankvlotter

N3/18 Motorregeleenheid met geïntegreerd stelelement luchtklep

N3/18m1 Stelelement luchtklep

S2 Startschakelaar

Y62 Brandstofverstuivers

X11/4 Diagnosetestaansluiting

CAN Databus (Control Area Network)

Functies bij contact AAN (contactstartschakelaar klem 15):

Inspuit- en ontstekingssysteem (MSM) van spanning voorzien.

Brandstofpomp gedurende ca. 1 sec. aansturen (hoorbaar).

Voordat de brandstofpomp opnieuw wordt aangestuurd, moet de motor echter zijn gestart.

Controlelampjes in het combi-instrument moeten gaan branden (lampcontrole).

Als het contact is ingeschakeld, worden via de CAN-databus gegevens uitgewisseld (bijvoorbeeld voor de wegrijbeveiliging).

Startherkenning

Als de wagen wordt gestart, ontvangt de motorregeleenheid een signaal van de startschakelaar. Dit signaal is bijvoorbeeld voor de startopbrengstregeling, de startmotorregeling, de nastart-verrijking en het ontstekingssysteem nodig.

Startopbrengstregeling

Om het starten van de koude motor te vergemakkelijken, moet tijdens het starten, afhankelijk van de koelmiddeltemperatuur, extra brandstof worden ingespoten. Door een verlenging van de inspuitduur wordt de opbrengst verhoogd.

De startopbrengstregeling is afhankelijk van:

Startherkenning

Koelmiddeltemperatuur

Motortoerental

Afzettijd van de motor (tijdens computeruitloop 30 sec.)

Atmosferische druk

-----------------------------------------------------------------------------------------

De startopbrengstregeling wordt na de startherkenning vrijgegeven. De regeling blijft geactiveerd totdat een van de temperatuur afhankelijk motortoerental wordt overschreden.

Hoe hoger de koelmiddeltemperatuur, des te kleiner de startopbrengst die door de motorregeleenheid wordt vrijgegeven.

Startmotorregeling

Door de contactstartschakelaar uit stand 2 in de startstand te draaien, wordt via klem 50 het starten herkend door de motorregeleenheid. Zodra een motortoerental van 400 tot 700/min wordt bereikt, onderbreekt de motorregeleenheid de massa-aansturing naar het relais startmotor en zodoende het starten.

Nastartmengselverrijking

Na de start is bij een koude motor korte tijd een verrijking met extra brandstof nodig. De brandstof die op de cilinderwanden neerslaat, wordt door deze verrijking gecompenseerd, waardoor de motor soepel doorloopt.

De nastartmengselverrijking is afhankelijk van:

Koelmiddeltemperatuur bij de start

Tijdsduur na de start

Selectiehendelstand

Correctieprogrammering met STAR DIAGNOSE

-----------------------------------------------------------------------------------------

Accuspanning en spanningsvoorziening

De ingespoten brandstofopbrengst wordt bepaald door de openingsduur van de brandstofverstuivers. Deze openingsduur is afhankelijk van de accuspanning. Om de opbrengst bij bijvoorbeeld een lage accuspanning te compenseren, wordt de inspuitduur door de motorregeleenheid met geïntegreerd stelelement luchtklep verlengd. Als de bedrijfsspanning bij het starten < 5,5 V is, kan de motor niet worden gestart.

Synchronisatie inspuit- en ontstekingsvolgorde

Om de cilinders in de juiste volgorde in te spuiten en te laten ontsteken, wordt de volgorde bij de eerste motoromwentelingen gesynchroniseerd. Hiervoor heeft de motorregeleenheid met geïntegreerd stelelement luchtklep de signalen van de Hall-sensor nokkenas en krukasstandsensor.

Ontsteking tijdens het starten

Tijdens het starten wordt het ontstekingstijdstip tot ca. 200/min uitsluitend overeenkomstig signalen van de krukasstandsensor geregeld. Pas bij een toerental van ca. 300/min wordt van een vast ontstekingstijdstip overgeschakeld op een ontstekingstijdstip dat afhankelijk van de actuele bedrijfstoestand wordt berekend.

Warmdraairegeling

De warmdraairegeling moet het brandstof-luchtmengsel na de start- en nastartverrijking verder verrijken, omdat een deel van het brandstof-luchtmengsel op de koude motoronderdelen neerslaat.

De motor krijgt, afhankelijk van het programma, de extra hoeveelheid brandstof toegemeten. Hiervoor wordt de inspuitduur overeenkomstig verlengd.

De warmdraaiverrijking is afhankelijk van:

Koelmiddeltemperatuur bij het starten

Temperatuur aangezogen lucht

Motortoerental

Motorbelasting

Stationair-/deellastfunctie

Correctieprogrammering met STAR DIAGNOSE

De regeleenheid wegrijbeveiligingssysteem communiceert voor de wegrijbeveiliging met de motorregeleenheid. Bij onbevoegd gebruik blokkeert het systeem de distributie.

Synchronisatie inspuit- en ontstekingsvolgorde MSM, werking

GF07.53-L-3017VA

KAT-verwarming MSM, werking

GF07.53-L-3032VA

O2-sondeverwarming, werking

GF07.61-L-3025VA

Synchronisatie inspuit- en ontstekingsvolgorde met incrementregeling, werking

GF07.61-L-4010VA

Luchtinblazing, werking

GF14.30-L-3012VA

Brandstoftoevoer, werking

GF47.20-L-4103VA

Verwezen documenten