L07.53-0004-06
17 Brandstofverdeelbuis
55/1 Brandstoffilter met geïntegreerde brandstofdrukregelaar
80 Brandstoftank
K1/6 Relais motorregeling benzinemotoren
K27 Relais brandstofpomp
M3/3 Brandstofpomp met tankvlotter
N3/18 Motorregeleenheid met geïntegreerd stelelement luchtklep
N3/18m1 Stelelement luchtklep
S2 Startschakelaar
Y62 Brandstofverstuivers
X11/4 Diagnosetestaansluiting
CAN Databus (Control Area Network)
Functies bij contact AAN (contactstartschakelaar klem 15):
Inspuit- en ontstekingssysteem (MSM) van spanning voorzien.
Brandstofpomp gedurende ca. 1 sec. aansturen (hoorbaar).
Voordat de brandstofpomp opnieuw wordt aangestuurd, moet de motor echter zijn gestart.
Controlelampjes in het combi-instrument moeten gaan branden (lampcontrole).
Als het contact is ingeschakeld, worden via de CAN-databus gegevens uitgewisseld (bijvoorbeeld voor de wegrijbeveiliging).
Startherkenning
Als de wagen wordt gestart, ontvangt de motorregeleenheid een signaal van de startschakelaar. Dit signaal is bijvoorbeeld voor de startopbrengstregeling, de startmotorregeling, de nastart-verrijking en het ontstekingssysteem nodig.
Startopbrengstregeling
Om het starten van de koude motor te vergemakkelijken, moet tijdens het starten, afhankelijk van de koelmiddeltemperatuur, extra brandstof worden ingespoten. Door een verlenging van de inspuitduur wordt de opbrengst verhoogd.
De startopbrengstregeling is afhankelijk van:
Startherkenning
Koelmiddeltemperatuur
Motortoerental
Afzettijd van de motor (tijdens computeruitloop 30 sec.)
Atmosferische druk
-----------------------------------------------------------------------------------------
De startopbrengstregeling wordt na de startherkenning vrijgegeven. De regeling blijft geactiveerd totdat een van de temperatuur afhankelijk motortoerental wordt overschreden.
Hoe hoger de koelmiddeltemperatuur, des te kleiner de startopbrengst die door de motorregeleenheid wordt vrijgegeven.
Startmotorregeling
Door de contactstartschakelaar uit stand 2 in de startstand te draaien, wordt via klem 50 het starten herkend door de motorregeleenheid. Zodra een motortoerental van 400 tot 700/min wordt bereikt, onderbreekt de motorregeleenheid de massa-aansturing naar het relais startmotor en zodoende het starten.
Nastartmengselverrijking
Na de start is bij een koude motor korte tijd een verrijking met extra brandstof nodig. De brandstof die op de cilinderwanden neerslaat, wordt door deze verrijking gecompenseerd, waardoor de motor soepel doorloopt.
De nastartmengselverrijking is afhankelijk van:
Koelmiddeltemperatuur bij de start
Tijdsduur na de start
Selectiehendelstand
Correctieprogrammering met STAR DIAGNOSE
-----------------------------------------------------------------------------------------
Accuspanning en spanningsvoorziening
De ingespoten brandstofopbrengst wordt bepaald door de openingsduur van de brandstofverstuivers. Deze openingsduur is afhankelijk van de accuspanning. Om de opbrengst bij bijvoorbeeld een lage accuspanning te compenseren, wordt de inspuitduur door de motorregeleenheid met geïntegreerd stelelement luchtklep verlengd. Als de bedrijfsspanning bij het starten < 5,5 V is, kan de motor niet worden gestart.
Synchronisatie inspuit- en ontstekingsvolgorde
Om de cilinders in de juiste volgorde in te spuiten en te laten ontsteken, wordt de volgorde bij de eerste motoromwentelingen gesynchroniseerd. Hiervoor heeft de motorregeleenheid met geïntegreerd stelelement luchtklep de signalen van de Hall-sensor nokkenas en krukasstandsensor.
Ontsteking tijdens het starten
Tijdens het starten wordt het ontstekingstijdstip tot ca. 200/min uitsluitend overeenkomstig signalen van de krukasstandsensor geregeld. Pas bij een toerental van ca. 300/min wordt van een vast ontstekingstijdstip overgeschakeld op een ontstekingstijdstip dat afhankelijk van de actuele bedrijfstoestand wordt berekend.
Warmdraairegeling
De warmdraairegeling moet het brandstof-luchtmengsel na de start- en nastartverrijking verder verrijken, omdat een deel van het brandstof-luchtmengsel op de koude motoronderdelen neerslaat.
De motor krijgt, afhankelijk van het programma, de extra hoeveelheid brandstof toegemeten. Hiervoor wordt de inspuitduur overeenkomstig verlengd.
De warmdraaiverrijking is afhankelijk van:
Koelmiddeltemperatuur bij het starten
Temperatuur aangezogen lucht
Motortoerental
Motorbelasting
Stationair-/deellastfunctie
Correctieprogrammering met STAR DIAGNOSE
De regeleenheid wegrijbeveiligingssysteem communiceert voor de wegrijbeveiliging met de motorregeleenheid. Bij onbevoegd gebruik blokkeert het systeem de distributie.
Verwezen documenten
- gf0753l3017va Synchronisatie inspuit- en ontstekingsvolgorde MSM, werking
- gf0753l3032va KAT-verwarming MSM, werking
- gf0761l3025va O2-sondeverwarming, werking
- gf0761l4010va Synchronisatie inspuit- en ontstekingsvolgorde met incrementregeling, werking
- gf1430l3012va
- gf4720l4103va