Combischakelaar |
N54.25-2079-01
N54.25-2080-01
N82.10-2817-01
N82.10-2816-01
N54.35-2008-01
Schakelaar mistachterlicht |
2 | Mistachterlicht inschakelen |
3 | Mistachterlicht uitschakelen |
Schakelaar mistlampen voor/mistachterlicht |
2 | Mistlampen voor, mistachterlicht inschakelen |
3 | Mistlampen voor, mistachterlicht uitschakelen |
4 | Mistlampen voor inschakelen |
Schakelaar alarmknipperinstallatie |
| Controleren | ||
1 | Parkeerlicht links en rechts met combischakelaar inschakelen | In stand D parkeerlicht rechts controleren, in stand E parkeerlicht links controleren. | |
Als een defect wordt vastgesteld: | |||
| |||
Tegen afzonderlijke opdracht oorzaak vaststellen en storing verhelpen. | |||
2 | Contact inschakelen, vervolgens standlicht inschakelen | Werking van standlicht, achterlichten, kentekenplaatverlichting en instrumentenverlichting controleren. | |
Als een defect wordt vastgesteld: | |||
| |||
Tegen afzonderlijke opdracht oorzaak vaststellen en storing verhelpen. | |||
3 | Dimlicht inschakelen | In stand A dimlicht controleren, in stand B grootlicht controleren. | |
Als een defect wordt vastgesteld: | |||
| |||
Tegen afzonderlijke opdracht oorzaak vaststellen en storing verhelpen. | |||
4 | Mistlampen voor, mistachterlicht inschakelen (2) | Dimlicht moet zijn ingeschakeld. Werking van mistlampen voor en mistachterlicht controleren. Het gele controlelampje voor het mistachterlicht in het combi-instrument moet gaan branden. | |
Als een defect wordt vastgesteld: | |||
| |||
Tegen afzonderlijke opdracht oorzaak vaststellen en storing verhelpen. | |||
5 | Verlichting uitschakelen | ||
6 | Met combischakelaar (2) knipperlicht links (E) en knipperlicht rechts (D) inschakelen | Knipperlicht links (E) en knipperlicht rechts (D) controleren. | |
Als een defect wordt vastgesteld: | |||
| |||
Tegen afzonderlijke opdracht oorzaak vaststellen en storing verhelpen. | |||
7 | Met combischakelaar lichtsignaal (C) bedienen | Lichtsignaal (C) controleren. | |
Als een defect wordt vastgesteld: | |||
| |||
Tegen afzonderlijke opdracht oorzaak vaststellen en storing verhelpen. | |||
8 | Achteruitrijlicht controleren | Hiervoor achteruitversnelling inschakelen, vervolgens transmissie opnieuw in stationairstand schakelen. | |
Als een defect wordt vastgesteld: | |||
| |||
Tegen afzonderlijke opdracht oorzaak vaststellen en storing verhelpen. | |||
9 | Remlicht controleren | Hiervoor rempedaal indrukken. | |
Als een defect wordt vastgesteld: | |||
| |||
Tegen afzonderlijke opdracht oorzaak vaststellen en storing verhelpen. | |||
10 | Parkeerrem aantrekken | ||
Gevaarlijk! | Kans op ongevallen door spontaan wegrijden bij draaiende motor. Kans op letsel door bekneld raken en verbranding bij ingrepen tijdens het starten of bij draaiende motor. | Voertuig tegen spontaan wegrijden beveiligen. Gesloten en strak aansluitende werkkleding dragen. Geen hete of roterende onderdelen vastpakken. | |
11 | Motor starten | Transmissie in stationaire stand | |
12 | Dagrijlichten controleren | De dagrijlichten moeten bij draaiende motor zijn ingeschakeld. | |
Als een defect wordt vastgesteld: | |||
| |||
Tegen afzonderlijke opdracht oorzaak vaststellen en storing verhelpen. | |||
13 | Motor afzetten | ||
14 | Contact uitschakelen | ||
15 | Alarmknipperlichten inschakelen | Alarmknipperlichten op werking controleren. Werking van controlelampje in schakelaar controleren. | |
Als een defect wordt vastgesteld: | |||
| |||
Tegen afzonderlijke opdracht oorzaak vaststellen en storing verhelpen. |
Verwezen documenten
- as0000z000501a Kans op ongevallen door spontaan wegrijden bij draaiende motor. Kans op letsel door bekneld raken en verbranding bij ingrepen tijdens het starten of bij draaiende motor.