N54.00-2088-02
1 Parkeerrem bedienen, contactslot in rijstand zetten.
De volgende controlelampjes moeten, voorzover ingebouwd, gaan branden:
Voorgloeien (dieselmotoren) (1)
Wegrijblokkering (benzinemotoren) (2)
Accuoplading (3)
Motoroliedruk (4)
Remvloeistofniveau/slijtage remvoeringen (5)
Parkeerrem (6)
Koelmiddelniveau (7)
Antiblokkeersysteem (ABS) (8)
Automatisch beremd differentieel (ABD) (9)
Arbeidstoerentalregeling (ADR) (10)
Electronic Diesel Control (EDC) (11)
Veiligheidssysteem (SRS) (12)
Brandstofreserve
Brandstoffilter verontreinigd
Water in brandstoffilter
-----------------------------------------------------------------------------------------
Na enkele seconden gaan de volgende controlelampjes uit:
Wegrijblokkering (benzinemotoren) (2)
Antiblokkeersysteem (ABS) (8)
Automatisch beremd differentieel (ABD) (9)
Arbeidstoerentalregeling (ADR) (10)
Electronic Diesel Control (EDC) (11)
Veiligheidssysteem (SRS) (12)
Brandstofreserve
Nadat de vereiste starttemperatuur is bereikt, gaat het controlelampje voorgloeien (dieselmotoren) (1) uit.
Bij een systeemstoring brandt het betreffende controlelampje voortdurend of wordt op het display (boordcomputer) weergegeven.
-----------------------------------------------------------------------------------------
2 Motor starten.
Alle controlelampjes, behalve parkeerrem (6), moeten uitgaan.
3 Alle andere controlelampjes controleren.
De betreffende functieschakelaars of het betreffende systeem in- en uitschakelen.
Bijvoorbeeld:
Richtingaanwijzer (13)
Alarmknipperlichten
Grootlicht (14)
Kippercontrole (15)
PTO (16)
Differentieelslot achteras (17)
4 Motor afzetten.