G72.16-A000-79
1 | Deurknop | 6 | Hendel noodontgrendeling | |
2 | Borging | A | Controlepunt (200 mm onder bovenrand deur) | |
3 | Hendel noodontgrendeling | B | Controlepunt (1000 mm boven instap) | |
4 | Borging | C | Controlepunt (willekeurig punt tussen controlepunten (B, D)) | |
5 | Verzegeling | D | Controlepunt (150 mm boven instap) |
Waarschuwing | Kans op letsel door afklemmen of bekneld raken van vingers bij het uit-, inbouwen en bij afstelwerkzaamheden aan deksels, portieren, kleppen en schuifdak. | Als onderdelen worden bewogen, mogen zich geen lichaamsdelen of ledematen in het bewegingsgebied bevinden. | |
Automatische beknellingsbeveiligingsfunctie in sluitrichting controleren | |||
1 | Voertuig horizontaal neerzetten, parkeerrem activeren en contact inschakelen. | Accuspanning minstens 12 V. | |
2 | Automatische beknellingsbeveiligingsfunctie tijdens sluiten met controlemiddel bij controlepunten (A t/m D) controleren. | ||
| Testmiddel voor beknellingsbeveiliging deuren | ||
Hiervoor schuifdeur met deurknop (1) openen en opnieuw sluiten. | |||
Als schuifdeur niet naar geopende stand terugkeert: | |||
| |||
Oorzaak bepalen en opheffen. | |||
Tegen afzonderlijke opdracht. | |||
3 | Schuifdeur met deurknop (1) sluiten. | ||
Automatische beknellingsbeveiligingsfunctie in openingsrichting controleren | |||
4 | Schuifdeur tijdens openen vasthouden. | Hiervoor schuifdeur met deurknop (1) openen. | |
Als schuifdeur niet blijft staan: | |||
| |||
Oorzaak bepalen en opheffen. | |||
Tegen afzonderlijke opdracht. | |||
5 | Schuifdeur met deurknop (1) sluiten. | ||
Noodontgrendeling van binnen controleren | |||
6 | Hendel noodontgrendeling (6) naar onderen trekken totdat deze vastklikt, terwijl naar schuifdeur is gesloten. | Als contact is ingeschakeld en noodontgrendeling is bediend, wordt een waarschuwingssignaal geactiveerd. | |
7 | Schuifdeur handmatig openen. | Als schuifdeur niet handmatig kan worden geopend: | |
| |||
Oorzaak bepalen en opheffen. | |||
Tegen afzonderlijke opdracht. | |||
8 | Schuifdeur handmatig sluiten. | ||
9 | Borging (4) indrukken en hendel noodontgrendeling (6) terugzetten. | ||
10 | Verzegeling (5) vervangen. | Als het voertuig buiten Duitsland wordt ingezet, moeten de geldende bepalingen van het betreffende land worden aangehouden. | |
Noodontgrendeling van buiten controleren | |||
11 | Hendel noodontgrendeling (3) naar boven trekken tot deze vastklikt. | Als bestuurdersportier is vergrendeld, is hendel noodontgrendeling (3) geblokkeerd. | |
12 | Schuifdeur handmatig openen. | Als schuifdeur niet handmatig kan worden geopend: | |
| |||
Oorzaak bepalen en opheffen. | |||
Tegen afzonderlijke opdracht. | |||
13 | Schuifdeur handmatig sluiten. | ||
14 | Borging (2) indrukken en hendel noodontgrendeling (3) terugzetten. | ||
Blokkeringen van schuifdeur controleren terwijl voertuig rijdt | |||
15 | Voertuig met een snelheid van circa 10 km/h in beweging brengen. | Controle uitsluitend uitvoeren op een afgesloten terrein, niet op de openbare weg. | |
16 | Deurknop (1) indrukken. | Schuifdeur moet gesloten blijven. | |
Als schuifdeur wordt geopend: | |||
| |||
Oorzaak bepalen en opheffen. | |||
Tegen afzonderlijke opdracht. |
Verwezen documenten
- as0000z001101a Kans op letsel door afklemmen of bekneld raken van vingers bij het uit-, inbouwen en bij afstelwerkzaamheden aan deksels, portieren, kleppen en schuifdak.
- wf5850d724001ts