Controlewaarden kleppen
Nummer | Omschrijving | Motor 541.9, 542.9 | ||
BE05.30-N-1001-01C | Klepterugstand ten opzichte van | mm | 0,70...1,05 | |
001 589 53 21 00
541 589 00 40 00
Meetklokstatief
Meetklok
W05.30-1085-06
1 Meetklok (5) op meetklokstatief (4) monteren.
2 Meetklok (5) met voorspanning op bewerkingsvlak van cilinderkop (1) zetten.
Als het om een cilinderkop (1) met inductieverhardingen gaat, moet
meetklokstatief (4) met meetklok (5) op de effen vlakken tussen de inductieverhardingen staan.
3 Schaal van meetklok (5) op "0" zetten.
4 Meetklok (5) met meetklokstatief (4) zover verschuiven dat de tastpen zich op de klepschotel van inlaatklep (2) of uitlaatklep (3) bevindt.
Klepterugstanden (B) bij beide inlaatkleppen (2) en uitlaatkleppen (3) meten. Voor elke meting de schaal van meetklok (5) op "0" zetten.
5 Waarde op schaal van meetklok (5) aflezen en noteren.
De klepterugstand (B) moet bij het kleppenpaar van inlaatkleppen (2) of uitlaatkleppen (3) binnen de toegestane tolerantiegrenzen liggen.