Gebruik | |||
1 | Voertuig wassen en drogen. | Gebruik van autoshampoo, insecten- en teerverwijderingsmiddel | |
Autoshampoo | |||
Teerverwijderingsmiddel | |||
Insectenverwijderingsmiddel | |||
2 | Lakoppervlak met cleaner reinigen. | Blik voor gebruik goed schudden. Cleaner aanbrengen en lakoppervlak krachtig met de hand polijsten tot gewenste glansgraad wordt bereikt. | |
Cleaner | |||
3 | Oppervlak met polish en poetsdoek napolijsten. | Gebruik van polish | |
Om de polijstwerkzaamheden te vergemakkelijken, moet regelmatig een nieuwe schone poetsdoek worden gebruikt. | |||
4 | Polijstresten wegwrijven. | Na het drogen vormt zich een lichte film. Met een poetsdoek bevochtig in schoon water nawrijven totdat oppervlak helder is. | |
5 | Oppervlak met glasconserveringsmiddel behandelen. | Gebruik van glansconserveringsmiddel | |
Glansconserveringsmiddel beschermt het lakwerk tegen vroegtijdig mat-worden. |