A | Ruitenwisserblad |
B | Wisserrubber |
N82.30-2128-04
N54.25-2085-01
N54.25-0260-01
N54.25-2282-01
Ruitenwisserschakelaar TYPE 638, 690.6, 901, 902, 903, 904, 905 |
1 | Ruitenwissers intervalwissen |
2 | Ruitenwissers langzaam wissen |
3 | Ruitenwissers snel wissen |
4 | Ruitensproeierinstallatie voorruit in-/uitschakelen |
5 | Ruitensproeierinstallatie achterruit in-/uitschakelen |
Combischakelaar TYPE 667, 668, 670 t/m FIN-eindnr. 086310 |
A | Ruitenwissers in-/uitschakelen |
B | Ruitensproeierinstallatie voorruit in-/uitschakelen |
Combischakelaar TYPE 667, 668, 670 vanaf FIN-eindnr. 086311 |
A | Ruitenwissers in-/uitschakelen |
B | Ruitensproeierinstallatie voorruit in-/uitschakelen |
Ruitenwissers controleren | |||
1 | Ruitenwisserbladen (A) en wisserrubbers (B) controleren | Toestand van ruitenwisserbladen (A) en wisserrubbers (B) aan voor- en achterruit (type 638) controleren. | |
Als wisserrubbers of wisserbladen zijn beschadigd: | |||
| |||
Tegen afzonderlijke opdracht wisserrubbers of wisserbladen vervangen. | |||
2 | Ruitenwissers voorruit inschakelen, uitschakelen | Als een defect wordt vastgesteld: | |
| |||
Tegen afzonderlijke opdracht oorzaak vaststellen en storing verhelpen. | |||
3 | Ruitenwisser achterruit inschakelen, uitschakelen | TYPE 638 | |
Combischakelaar bij het in- en uitschakelen telkens kort in richting van pijl (5) bewegen. | |||
Als een defect wordt vastgesteld: | |||
| |||
Tegen afzonderlijke opdracht oorzaak vaststellen en storing verhelpen. | |||
Ruitensproeierinstallatie controleren | |||
4 | Ruitensproeierinstallatie voorruit inschakelen (4/pijl B) | De sproeiervloeistofpomp en de ruitenwissers moeten gelijktijdig inschakelen. | |
Als een defect wordt vastgesteld: | |||
| |||
Tegen afzonderlijke opdracht oorzaak vaststellen en storing verhelpen. | |||
5 | Ruitensproeierinstallatie achterruit inschakelen | TYPE 638 | |
Combischakelaar bij het inschakelen in richting van pijl (5) bewegen. | |||
Als een defect wordt vastgesteld: | |||
| |||
Tegen afzonderlijke opdracht oorzaak vaststellen en storing verhelpen. | |||
6 | Sproeiers controleren | Werking controleren van de sproeiers die in de ruitenwisserarm zijn geïntegreerd. | |
Als een defect wordt vastgesteld: | |||
| |||
Tegen afzonderlijke opdracht oorzaak vaststellen en storing verhelpen. | |||
Koplampreinigingsinstallatie controleren | |||
7 | Koplampen inschakelen | ||
8 | Ruitensproeierinstallatie inschakelen (4/pijl B) | De sproeiervloeistofpomp en de koplampruitenwissers moeten gelijktijdig inschakelen. | |
Als een defect wordt vastgesteld: | |||
| |||
Tegen afzonderlijke opdracht oorzaak vaststellen en storing verhelpen. | |||
9 | Sproeiers controleren | Zo nodig sproeiers afstellen. |