ap7225d0001ts

Werking van naar buiten draaiende zwenkdeur controleren

Type ap · thema 72.25 · versie 0101 · 2020-01-09

Geldig voor: Type 907 met opbouw 613.72/73/82/83 met code ZJ8 (Leveringspakket Mercedes-Benz Minibus (MBM))

Plaats

Functiegroep 3 Opbouw/carrosserie › 72 Portieren en deuren › 72.25 Zwenkdeuren — Serie 613 (modellen 72*, 73*, 82*, 83*) · Serie 907

EinPAS 35 Carrosserie/chassis/stylingaccessoires › 35.35 Portier/deur › 35.35.1 Basisinformatie — Serie 613 (modellen 72*, 73*, 82*, 83*) · Serie 907

AP72.25-D-0001TS

Werking van naar buiten draaiende zwenkdeur controleren

09.01.2020

Type

907 met opbouw 613.72/73/82/83

met code ZJ8 (Leveringspakket Mercedes-Benz Minibus (MBM))

Werking van naar buiten draaiende zwenkdeur controleren

G72.25-A002-79

1

Deurknop

8

Hendel noodontgrendeling

2

Deurknop

9

Noodkraan

3

Knop

10

Afdekking

4

Draagarm

A

Controlepunt (200 mm onder bovenrand deur)

5

Noodkranen

B

Controlepunt (1000 mm boven instap)

6

Borging

C

Controlepunt (willekeurig punt tussen controlepunten (B, D))

7

Verzegeling

D

Controlepunt (150 mm boven instap)

Waarschuwing

Kans op letsel door afklemmen of bekneld raken van vingers bij het uit-, inbouwen en bij afstelwerkzaamheden aan deksels, portieren, kleppen en schuifdak.

Als onderdelen worden bewogen, mogen zich geen lichaamsdelen of ledematen in het bewegingsgebied bevinden.

AS00.00-Z-0011-01A

Automatische beknellingsbeveiligingsfunctie in sluitrichting controleren

1

Voertuig horizontaal neerzetten, parkeerrem activeren en contact inschakelen.

Accuspanning minstens 12 V.
Alle controlestappen bij alle naar buiten draaiende zwenkdeuren van voertuig uitvoeren.

2

Deursegmentblokkering met knop (3) uitschakelen.

3

Automatische beknellingsbeveiligingsfunctie tijdens sluiten met controlemiddel bij controlepunten (A t/m D) controleren.

Testmiddel voor beknellingsbeveiliging deuren

WF58.50-D-7240-01TS

Hiervoor naar buiten draaiende zwenkdeur met deurknop (1 of 2) openen en opnieuw sluiten.
Naar buiten draaiende zwenkdeur moet naar geopende stand terugkeren.

Als naar buiten draaiende zwenkdeur niet naar geopende stand terugkeert:

Oorzaak bepalen en opheffen.

Tegen afzonderlijke opdracht.

4

Tijdens sluiten tegen draagarm (4) of deursegment drukken.

Hiervoor naar buiten draaiende zwenkdeur met deurknop (1 of 2) sluiten.
Elk deursegment afzonderlijk controleren.
Naar buiten draaiende zwenkdeur moet naar geopende stand terugkeren.

Als naar buiten draaiende zwenkdeur niet naar geopende stand terugkeert:

Oorzaak bepalen en opheffen.

Tegen afzonderlijke opdracht.

5

Naar buiten draaiende zwenkdeur met deurknop (1 of 2) sluiten.

Automatische beknellingsbeveiligingsfunctie in openingsrichting controleren

6

Naar buiten draaiende zwenkdeur tijdens openen vasthouden.

Hiervoor naar buiten draaiende zwenkdeur met deurknop (1 of 2) openen.
Elk deursegment afzonderlijk controleren.
Naar buiten draaiende zwenkdeur moet blijven staan.

Als naar buiten draaiende zwenkdeur niet blijft staan:

Oorzaak bepalen en opheffen.

Tegen afzonderlijke opdracht.

7

Naar buiten draaiende zwenkdeur met deurknop (1 of 2) sluiten.

Noodontgrendeling van binnen controleren (uitvoering met hendel noodontgrendeling (8))

8

Hendel noodontgrendeling (8) naar onderen trekken totdat deze vastklikt, terwijl naar buiten draaiende zwenkdeur is gesloten.

Als contact is ingeschakeld en noodontgrendeling is bediend, wordt een waarschuwingssignaal geactiveerd.

9

Naar buiten draaiende zwenkdeur handmatig openen.

Als naar buiten draaiende zwenkdeur niet handmatig kan worden geopend:

Oorzaak bepalen en opheffen.

Tegen afzonderlijke opdracht.

10

Borging (6) indrukken en hendel noodontgrendeling (8) terugzetten.

11

Verzegeling (7) vervangen.

Als het voertuig buiten Duitsland wordt ingezet, moeten de geldende bepalingen van het betreffende land worden aangehouden.

Noodontgrendeling van binnen controleren (uitvoering met noodkraan (9))

12

Afdekking (10) opklappen en noodkraan (9) in pijlrichting draaien terwijl naar buiten draaiende zwenkdeur is gesloten.

Als contact is ingeschakeld en noodontgrendeling is bediend, wordt een waarschuwingssignaal geactiveerd.

13

Naar buiten draaiende zwenkdeur handmatig openen.

Als naar buiten draaiende zwenkdeur niet handmatig kan worden geopend:

Oorzaak bepalen en opheffen.

Tegen afzonderlijke opdracht.

14

Noodkraan (9) terugdraaien.

15

Afdekking (10) sluiten en verzegelen.

Als het voertuig buiten Duitsland wordt ingezet, moeten de geldende bepalingen van het betreffende land worden aangehouden.

Noodontgrendeling van buiten controleren

16

Noodkraan (5) in pijlrichting draaien terwijl naar buiten draaiende zwenkdeur is gesloten.

Als bestuurdersportier is vergrendeld, is noodkraan (5) geblokkeerd.

17

Naar buiten draaiende zwenkdeur handmatig openen.

Als naar buiten draaiende zwenkdeur niet handmatig kan worden geopend:

Oorzaak bepalen en opheffen.

Tegen afzonderlijke opdracht.

18

Noodkraan (5) terugdraaien.

Blokkeringen van naar buiten draaiende zwenkdeur controleren terwijl voertuig rijdt

19

Voertuig met een snelheid van circa 10 km/h in beweging brengen.

Controle uitsluitend uitvoeren op een afgesloten terrein, niet op de openbare weg.
Tijdens de controle mogen zich geen personen in de nabijheid van de naar buiten draaiende zwenkdeur bevinden.

20

Deurknop (1 of 2) indrukken.

Naar buiten draaiende zwenkdeur moet gesloten blijven.

Als naar buiten draaiende zwenkdeur wordt geopend:

Oorzaak bepalen en opheffen.

Tegen afzonderlijke opdracht.

Verwezen documenten