G72.25-A002-79
1 | Deurknop | 8 | Hendel noodontgrendeling | |
2 | Deurknop | 9 | Noodkraan | |
3 | Knop | 10 | Afdekking | |
4 | Draagarm | A | Controlepunt (200 mm onder bovenrand deur) | |
5 | Noodkranen | B | Controlepunt (1000 mm boven instap) | |
6 | Borging | C | Controlepunt (willekeurig punt tussen controlepunten (B, D)) | |
7 | Verzegeling | D | Controlepunt (150 mm boven instap) |
Waarschuwing | Kans op letsel door afklemmen of bekneld raken van vingers bij het uit-, inbouwen en bij afstelwerkzaamheden aan deksels, portieren, kleppen en schuifdak. | Als onderdelen worden bewogen, mogen zich geen lichaamsdelen of ledematen in het bewegingsgebied bevinden. | |
Automatische beknellingsbeveiligingsfunctie in sluitrichting controleren | |||
1 | Voertuig horizontaal neerzetten, parkeerrem activeren en contact inschakelen. | Accuspanning minstens 12 V. | |
2 | Deursegmentblokkering met knop (3) uitschakelen. | ||
3 | Automatische beknellingsbeveiligingsfunctie tijdens sluiten met controlemiddel bij controlepunten (A t/m D) controleren. | ||
| Testmiddel voor beknellingsbeveiliging deuren | ||
Hiervoor naar buiten draaiende zwenkdeur met deurknop (1 of 2) openen en opnieuw sluiten. | |||
Als naar buiten draaiende zwenkdeur niet naar geopende stand terugkeert: | |||
| |||
Oorzaak bepalen en opheffen. | |||
Tegen afzonderlijke opdracht. | |||
4 | Tijdens sluiten tegen draagarm (4) of deursegment drukken. | Hiervoor naar buiten draaiende zwenkdeur met deurknop (1 of 2) sluiten. | |
Als naar buiten draaiende zwenkdeur niet naar geopende stand terugkeert: | |||
| |||
Oorzaak bepalen en opheffen. | |||
Tegen afzonderlijke opdracht. | |||
5 | Naar buiten draaiende zwenkdeur met deurknop (1 of 2) sluiten. | ||
Automatische beknellingsbeveiligingsfunctie in openingsrichting controleren | |||
6 | Naar buiten draaiende zwenkdeur tijdens openen vasthouden. | Hiervoor naar buiten draaiende zwenkdeur met deurknop (1 of 2) openen. | |
Als naar buiten draaiende zwenkdeur niet blijft staan: | |||
| |||
Oorzaak bepalen en opheffen. | |||
Tegen afzonderlijke opdracht. | |||
7 | Naar buiten draaiende zwenkdeur met deurknop (1 of 2) sluiten. | ||
Noodontgrendeling van binnen controleren (uitvoering met hendel noodontgrendeling (8)) | |||
8 | Hendel noodontgrendeling (8) naar onderen trekken totdat deze vastklikt, terwijl naar buiten draaiende zwenkdeur is gesloten. | Als contact is ingeschakeld en noodontgrendeling is bediend, wordt een waarschuwingssignaal geactiveerd. | |
9 | Naar buiten draaiende zwenkdeur handmatig openen. | Als naar buiten draaiende zwenkdeur niet handmatig kan worden geopend: | |
| |||
Oorzaak bepalen en opheffen. | |||
Tegen afzonderlijke opdracht. | |||
10 | Borging (6) indrukken en hendel noodontgrendeling (8) terugzetten. | ||
11 | Verzegeling (7) vervangen. | Als het voertuig buiten Duitsland wordt ingezet, moeten de geldende bepalingen van het betreffende land worden aangehouden. | |
Noodontgrendeling van binnen controleren (uitvoering met noodkraan (9)) | |||
12 | Afdekking (10) opklappen en noodkraan (9) in pijlrichting draaien terwijl naar buiten draaiende zwenkdeur is gesloten. | Als contact is ingeschakeld en noodontgrendeling is bediend, wordt een waarschuwingssignaal geactiveerd. | |
13 | Naar buiten draaiende zwenkdeur handmatig openen. | Als naar buiten draaiende zwenkdeur niet handmatig kan worden geopend: | |
| |||
Oorzaak bepalen en opheffen. | |||
Tegen afzonderlijke opdracht. | |||
14 | Noodkraan (9) terugdraaien. | ||
15 | Afdekking (10) sluiten en verzegelen. | Als het voertuig buiten Duitsland wordt ingezet, moeten de geldende bepalingen van het betreffende land worden aangehouden. | |
Noodontgrendeling van buiten controleren | |||
16 | Noodkraan (5) in pijlrichting draaien terwijl naar buiten draaiende zwenkdeur is gesloten. | Als bestuurdersportier is vergrendeld, is noodkraan (5) geblokkeerd. | |
17 | Naar buiten draaiende zwenkdeur handmatig openen. | Als naar buiten draaiende zwenkdeur niet handmatig kan worden geopend: | |
| |||
Oorzaak bepalen en opheffen. | |||
Tegen afzonderlijke opdracht. | |||
18 | Noodkraan (5) terugdraaien. | ||
Blokkeringen van naar buiten draaiende zwenkdeur controleren terwijl voertuig rijdt | |||
19 | Voertuig met een snelheid van circa 10 km/h in beweging brengen. | Controle uitsluitend uitvoeren op een afgesloten terrein, niet op de openbare weg. | |
20 | Deurknop (1 of 2) indrukken. | Naar buiten draaiende zwenkdeur moet gesloten blijven. | |
Als naar buiten draaiende zwenkdeur wordt geopend: | |||
| |||
Oorzaak bepalen en opheffen. | |||
Tegen afzonderlijke opdracht. |
Verwezen documenten
- as0000z001101a Kans op letsel door afklemmen of bekneld raken van vingers bij het uit-, inbouwen en bij afstelwerkzaamheden aan deksels, portieren, kleppen en schuifdak.
- wf5850d724001ts