ap5430p5451f

Waarschuwings- en functielichten in combi-instrument controleren

Type ap · thema 54.30 · versie 0102 · 2019-02-08

Geldig voor: Type 118, 177, 247

Plaats

Functiegroep 2 Onderstel › 54 Elektrisch installatie, uitrusting en instrumenten › 54.30 Combi-instrument, indicatie-instrumenten — Serie 118 · Serie 177 · Serie 247

EinPAS 31 Communicatie/informatie/entertainment › 31.30 Combi-instrument/boordcomputer › 31.30.11 Regeleenheid/relais — Serie 118 · Serie 177 · Serie 247

EinPAS 31 Communicatie/informatie/entertainment › 31.30 Combi-instrument/boordcomputer › 31.30.15 Indicatie/display — Serie 118 · Serie 177 · Serie 247

AP54.30-P-5451F

Waarschuwings- en functielichten in combi-instrument controleren

07.02.2019

Type

118, 177, 247

Waarschuwings- en functielichten in combi-instrument controleren

1

Controlelampje knipperlicht links

2

Controlelampje knipperlicht rechts

3

Controlelampje grootlicht

4

Controlelampje dimlicht

5

Controlelampje mistachterlicht

6

Controlelampje standlicht

7

Waarschuwingslampje remvloeistof en parkeerrem

8

Controlelampje antiblokkeersysteem

9

Waarschuwingslampje remsysteem

10

Waarschuwingslampje parkeerrem

11

Waarschuwingslampje ESP®/ESP® OFF

12

Controlelampje parkeerrem

13

Waarschuwingslampje veiligheidsgordel

14

Controlelampje veiligheidssysteem

15

Waarschuwingslampje DISTRONIC (bij code 233, DISTRONIC PLUS, of code 266, DISTRONIC PLUS met stuurassistent en Stop & Go Pilot, of code 239, DISTRONIC PLUS, of code 258, COLLISION PREVENTION ASSIST)

16

Controlelampje motordiagnose

17

Waarschuwingslampje brandstofreserve

18

Controlelampje mistlampen voor

19

Waarschuwingslampje stuurbekrachtiging

20

Waarschuwingslampje bandenspanningscontrole (bij code 475, bandenspanningscontrole)

21

Melding lampuitval op multifunctioneel display

P54.33-3123-81

Voorbereidende werkzaamheden

1

Motorkap, achterklep en alle portieren sluiten.

2

Regeleenheid elektronisch contactslot in stand '2' (kl. 15) brengen.

3

Parkeerrem bedienen.

Controleren

4

Werking van waarschuwingslampjes (7, 9, 10, 11, 13, 15, 17, 19, 20) en controlelampjes (6, 8, 12, 14, 16, 18) controleren.

Als klachten optreden:

Klachten verhelpen.

Tegen afzonderlijke opdracht.

5

Dimlicht met de hand inschakelen.

Controlelampje dimlicht (4) moet gaan branden en er mag geen melding van lampuitval op multifunctioneel display (21) verschijnen.

Als klachten optreden:

Klachten verhelpen.

Tegen afzonderlijke opdracht.

6

Grootlicht inschakelen.

Controlelampje grootlicht (3) moet gaan branden en er mag geen melding van lampuitval op multifunctioneel display (21) verschijnen.

Als klachten optreden:

Klachten verhelpen.

Tegen afzonderlijke opdracht.

7

Mistachterlicht inschakelen.

Controlelampje mistachterlicht (5) moet gaan branden en er mag geen melding van lampuitval op multifunctioneel display (21) verschijnen.

Als klachten optreden:

Klachten verhelpen.

Tegen afzonderlijke opdracht.

8

Bedrijfsrem activeren en achteruitversnelling inschakelen.

Er mag geen melding van lampuitval op multifunctioneel display (21) verschijnen.

Als klachten optreden:

Klachten verhelpen.

Tegen afzonderlijke opdracht.

9

Alarmknipperlichten inschakelen.

Controlelampje knipperlicht links (1) en controlelampje knipperlicht rechts (2) gaan tegelijkertijd knipperen op multifunctioneel display. Er mag geen melding van lampuitval op multifunctioneel display (21) verschijnen.

Als klachten optreden:

Klachten verhelpen.

Tegen afzonderlijke opdracht.

10

Schakelaars in ingangstoestand terugzetten.

Afrondende werkzaamheden

11

Regeleenheid elektronisch contactslot in stand '0' brengen.